RIJKSMUSEUM ANDERS


RIJKSMUSEUM ANDERS

 

'We gaan sluiten, meneer,' zei de suppoost op gedempte toon, die suppoosten nu eenmaal zo eigen is.

'Prima,' zei ik.

Daar heb ik op gewacht, dacht ik.

'Dus als u zo vriendelijk zou willen zijn u naar de uitgang te begeven.'

'Uiteraard,' zei ik.

Vergeet het, dacht ik.

Rondom mij begonnen de museumbezoekers allemaal richting uitgang te lopen, zoals de suppoost had bevolen. Als een mak schaap schuifelde ik mee tussen al die nationaliteiten, die zich hadden vergaapt aan Neerlands pracht en aan één schilderij in het bijzonder: de Nachtwacht van Rembrandt van Rijn. Mijn schuifelen werd allengs langzamer en na enkele ogenblikken bevond ik mij achteraan de stoet, die binnen een paar minuten op straat zou staan. We kwamen langs de lift, die ik een half uur geleden had uitgekozen. Een gewone lift, niets bijzonders, een lift zoals er meerdere zijn in het Rijksmuseum. Ik stond stil en drukte op het knopje. De stoet schuifelde verder. De lift bracht mij naar de derde verdieping, waar zich aan het eind van de gang in een stil, verstopt, bijna onzichtbaar hoekje een deur bevond, waarop stond dat de toegang voor onbevoegden verboden was. Dit was precies wat ik zocht. Een deur met daarachter een ruimte waar onbevoegden niets te zoeken hadden. Hier zou ik naar alle waarschijnlijkheid niet worden gestoord. Ik opende dus de deur die ik niet had mogen openen en trad naar binnen. Ik bevond mij in een ruimte, die als een soort depot diende voor kunstwerken, waarvoor even geen plek was in de zalen en aan de wanden van het museum. Vergeten kunst zou je het kunnen noemen, winkeldochters, die tot in lengte van dagen noodgedwongen aan het oog van de bezoekers werden onttrokken. Ach, het is soms droevig gesteld, zelfs met de kunst.

In de hoek van de ruimte stonden manhoge vazen, waarachter ik mij uitstekend schuil zou kunnen houden. Stel je voor dat meerdere mensen dezelfde drang als ik zouden hebben en ook deuren zouden openen die beslist niet geopend mochten worden. Ik schoof heen en weer met de vazen en creëerde een verstopplekje van waaruit ik onmogelijk was te zien. Hier zou ik het wel even uithouden. Wachten tot iedereen het museum had verlaten, bezoekers en personeel. Hier droomde ik nu al jaren van: het Rijksmuseum helemaal alleen voor mijzelf. Het ultieme geluk op aarde. Ik moest geduld hebben en mijn tijd uitzitten achter de kostbare vazen uit de Ming periode. Dan zou ik uit mijn schuilplaats kruipen om daarna helemaal alleen op mijn dooie akkertje door het museum te slenteren. Nog even wachten dus.

Na twee uurtjes kwam ik achter de vazen vandaan, opende de deur, stak mijn hoofd voorzichtig door de opening en luisterde of ik iets of iemand hoorde. Het was doodstil en de kust leek mij volkomen veilig. Mijn lang gekoesterde wens zou eindelijk in vervulling gaan: ik had bezit genomen van het Rijksmuseum en ik zou door niets en niemand worden gestoord. De lift bracht me weer naar beneden en waar voorheen nog een stoet toeristen schuifelde op weg naar de uitgang was het nu volkomen leeg, niemand te zien. Het was adembenemend stil, oorverdovend bijna. Geen mens, behalve ikzelf, bevond zich tussen deze eeuwenoude muren. Ik kon het bijna niet geloven.

Eerst maar eens naar de Nachtwacht. Het leek mij een haast bovenzintuiglijke ervaring om nu eindelijk eens alleen tegenover dit meesterwerk te mogen staan, zonder het geroezemoes van de vele talen om mij heen, zonder de bezoekers die altijd voor je neus gaan staan en zonder de suppoosten die er op toezien dat je wel voldoende afstand bewaart.

Ik opende de deur naar de eregalerij, een lange gang met aan het einde het beroemdste schilderij ter wereld. De adrenaline schoot alle kanten op. Mijn hart ging als een bezetene tekeer, maakte overuren. Heel langzaam liep ik de lange gang door en enkele ogenblikken later stond ik tegenover het kolossale doek. Mijn missie was geslaagd. Ik en de Nachtwacht. De Nachtwacht en ik. Wie keek naar wie? Ik bevond mij in een soort extase, een andere dimensie bijna. Ik genoot zoals ik nog nooit had genoten. De figuren op het grote doek leken er zelfs anders uit te zien, intenser, indringender. Het was alsof ze wilden zeggen: kijk maar, kijk maar goed, zo'n kans krijg je nooit meer. Ik ging zitten en staarde minutenlang gebiologeerd en bijna ademloos naar het meesterwerk. Toen stond ik op en draaide mij om; er was nog zoveel moois te zien. Op dat moment klonk er bars een mannenstem door de stille zaal.

'Bijlo, kerel! Wat voor de donder doet u hier?'

Met een ruk draaide ik mij om en de man in het zwarte kostuum, de kapitein van de groep, stapte uit de lijst de zaal in. Ik schrok me kapot en stond aan de grond genageld.

'Wat heeft u hier te zoeken,' bulderde de man, terwijl hij op me afkwam.

'Ik eh …' stamelde ik.

'Het museum is gesloten. Weet u dat niet?'

'Ja, maar ik eh …' Er kwam werkelijk geen zinnig woord meer uit.

De man strekte zijn arm uit en gaf me een hand.

'Banninck Cocq,' zei hij, 'Frans Banninck Cocq. Met c-o-c-q.'

'Aan eh … aangenaam,' stotterde ik en noemde mijn naam.

Daarop draaide hij zich om naar het schilderij. Behalve Banninck Cocq stonden alle figuren gewoon op de plek waar de grote schilder hen had neergezet.

'Oké, mannen,' bulderde Banninck Cocq door de zaal, 'klaar is Kees!'

Ik kon mijn ogen niet geloven. Opeens begon iedereen te bewegen en alle door Rembrandt geschilderde personen stapten uit de lijst en kwamen om mij heen staan.

'Hoe kan dit, meneer eh …?'

'Frans,' antwoordde de man. 'Gewoon Frans. Banninck Cocq is zo'n mond vol. Vindt u ook niet?'

'Wat voor de duivel heeft dit te betekenen, schavuit,' vroeg nu de man in het gele kostuum.

'Deze heer heeft zich vergist, Willem,' zei Frans. 'Ja toch, mijnheer, u heeft zich vergist, nietwaar?'

'Eh …' Nog steeds lukte het me niet om ook maar één zinnig woord uit te brengen.

'Dit is mijn luitenant, Willem van Ruytenburgh,' zei Frans.

'Aangenaam,' zei de man in het geel, 'zeg maar Wim.'

'Wanneer gaan we naar huis, papa?'

Het meisje in de witgele jurk rukte aan de broekspijp van haar vader.

'Mijn dochter Sophie,' zei Frans. 'Zij is onze mascotte. Daarom staat ze zo mooi in het licht. Dat heeft hij prachtig gedaan, die schilder, die eh … kom eh … dinges.'

'Rembrandt,' zei ik. 'Rembrandt van Rijn.'

'Juist,' zei Frans, 'die.'

Ik moest er bij gaan zitten. Ik begreep er helemaal niets meer van.

'Wat gebeurt hier eigenlijk allemaal?' wilde ik weten.

'Wat hier gebeurt?' vroeg de man met de trom en gaf een roffel weg. 'Hier gebeurt helemaal niets, wij gaan gewoon naar huis.'

'Naar huis?' vroeg ik verbaasd.

'Ja,' zei Frans,' wat dacht u dan?'

'Onze werkdag zit erop,' zei Wim, 'en dan gaan wij naar huis. We mogen dan wel de Nachtwacht heten, maar dat wil niet zeggen dat wij hier de hele nacht voor Jan Joker blijven staan.'

'Heeft ook geen zin,' zei de trommelaar, 'er is 's nachts toch niemand.' Hij bekeek mij van top tot teen. 'Nou ja, uitzonderingen daar gelaten.'

'We zijn doodmoe,' zei Frans. 'Ik geef je te doen al die toeristen die je de hele dag aan staan te gapen en ongevraagd met hun mobieltjes maar foto's van je nemen. Hoe zou u dat vinden?'

'Ik eh … geen idee,' antwoordde ik.

'Ik zie dat u er niet veel van begrijpt.'

'Dat kun je wel zeggen.'

'Al honderden jaren staan wij hier voor de Kloveniersdoelen. Elke dag maar weer. Denk niet dat dit altijd een lolletje is. Kijk, bij mooi weer gaat het wel, maar wat te denken als het met bakken uit de lucht komt. Als verzopen katten, mijnheer. Die schilder, die eh … die huppeldepup …'

'Van Rijn,' zei ik, 'Rembrandt van Rijn.'

'Ja, die,' zei Frans. 'Die man heeft ons wel heel mooi tegen dat doek geplakt, maar het is niet allemaal rozengeur en maneschijn, hoor.'

'Dat blijkt,' zei ik.

'Dus gaan wij 's avonds gewoon lekker naar huis,' zei de trommelaar, terwijl hij weer een paar roffels ten beste gaf, 'zoals ieder mens 's avonds naar huis gaat als zijn werkdag erop zit.'

'Bij moeder op de bank en dan dit ingewikkelde kloffie uit,' gniffelde de man in het rood, die net als op het schilderij nog steeds zijn voorlader stond te laden.

'Wat gaat daar nu in?' wilde ik weten. 'Buskruit?'

'Buskruit?' zei de man. 'Bent u nou helemaal de weg kwijt?! Wilt u dat het dak van het museum eraf vliegt? Nee, hoor, ik stop die loop vol met jeukpoeder. Als de toeristen weg zijn, schiet ik mijn voorlader leeg op mijn collega's. Dat is pas lachen!' Hij legde aan en richtte het gevaarte op mij.

'Laat dat, Gerrit,' zei Frans bars. 'Geen geintjes alsjeblieft.'

'Hoe dan ook,' zei Gerrit, 'kloffie uit, vrijetijdskleding aan.'

'Vrijetijdskleding aan?' vroeg ik.

'Ja, natuurlijk,' antwoordde Frans, 'u dacht toch zeker niet dat wij thuis ook in deze apenpakken rondlopen. Nee, mijnheer, dit is onze werkkleding en die gaat straks lekker uit.'

'Gemaakt door mijn schoonmoeder en haar vriendinnen,' zei Wim. 'Ze zijn lid van een naaiclubje en hebben voor iedereen een kostuum genaaid. Heel kundig, vindt u ook niet?'

'En die belachelijke pruiken gaan ook af,' zei Frans en voegde onmiddellijk de daad bij het woord. Hij nam zijn hoed af en trok een pruik van zijn hoofd. 'Zo, dat lucht op,' zei hij en streelde zijn volkomen kale schedel.

'En dan gaat die aangeplakte sik er zeker ook vanaf,' zei ik en gaf een ruk aan zijn baardje. Het bleek echt te zijn.

'Au!' schreeuwde Frans. 'Bent u nou helemaal van de pot gerukt?!'

'Zal ik hem een lading jeukpoeder bezorgen?' vroeg Gerrit, die weer aanlegde. De blik van zijn meerdere weerhield hem ervan.

'Maar,' zei ik, 'als ik het goed begrijp, dan …'

'Dan komen wij hier terug tegen de tijd dat het museum weer opengaat,' vulde Frans mij aan. 'We gaan weer staan, onze werkdag begint en ze kunnen weer kijken en commentaar leveren. Simpeler kan het niet. Loop even mee.'

Frans pakte mij bij mijn arm en nam mij mee naar de Staalmeesters. Althans, daar waar de Staalmeesters behoorden te zitten. Nu waren alleen de tafel en de stoelen te zien.

'Ah, jammer, ze zijn al naar huis, anders had ik u even aan de mannen voorgesteld. Maar ik zie daar het melkmeisje.' Weer pakte Frans mij bij mijn arm en nam mij mee naar een dame die met een kan in haar hand op een bankje zat, waar doorgaans de toeristen zaten om naar háár te kijken.

'Er zit helemaal geen melk in die kan,' zei ik, terwijl ik in de beroemde kan loerde.

'Nee zeg, ammehoela! Dacht u nou werkelijk dat ik al een paar eeuwen lang melk sta te verkwisten? De boeren hebben het al moeilijk genoeg.'

'Maar u bent toch voortdurend melk aan het inschenken?' wilde ik weten.

'Een goocheltruc, mijnheer, een ordinaire goocheltruc.'

'O …' zei ik verrast.

'Het vereist enige vaardigheid om deze truc te leren, maar als je hem eenmaal onder knie hebt kun je hem tot in lengte van eeuwen uitvoeren. Zo, en nu wil ik naar huis. Gegroet.'

Daarop draaide ze zich om en verdween in een soort nevel die opeens uit het niets kwam opzetten.

Achter mij begon iemand te zingen van "we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet".

'Jawel, Frans,' zei Wim, 'we gaan wel naar huis. Frans Hals,' zei hij tegen mij, terwijl hij wees naar de man die onderuit gezakt op een bankje voor de lijst zat, waar hij kort tevoren nog tussen had gezeten. 'Frans heeft een drankprobleem,' zei Wim en wees naar het glas wijn dat de man op het bankje in zijn hand hield.

'Kom maar, jongen,' zei de trommelaar en hees Frans overeind. 'Zet je glas maar terug in de lijst en dan braaf naar moeder de vrouw.' Frans Hals kreeg een duwtje in zijn rug en op weg naar de uitgang kwam hij Oopjen Coppit tegen die hij onmiddellijk om haar nek ging hangen.

'Ga weg, vieze zuipschuit,' zei deze, terwijl ze zich lospeuterde uit de greep van de dronkenlap, die met een kegel van een paar meter zwaar tegen haar aanleunde.

'Het moet een keer afgelopen zijn, mijnheer Hals,' zei Marten Soolmans, die Frans Hals bij zijn witte kraag greep. 'Ik ben uw grensoverschrijdend gedrag jegens mijn echtgenote inmiddels spuugzat.'

'Maar ze is ook zo'n lekker ding,' zei Frans met dikke tong.

'Ik waarschuw u voor de laatste keer, mijnheer Hals, laat mijn echtgenote met rust, anders vallen er klappen.'

'We hadden thuis moeten blijven,' zei Oopjen. 'Thuis in het Louvre, waar men ons tenminste met respect behandelt.'

Frans Hals lalde nog een beetje tegen het echtpaar aan en verdween tenslotte, weliswaar op onvaste benen, in die geheimzinnige nevel die weer uit het niets opdoemde.

'Mannen, is Jan reeds huiswaarts?' vroeg Frans de zaal rondkijkende.

'Jan?' vroeg ik.

'Jan Steen.'

'Jan is al naar huis, kapitein.'

'Hij liever dan ik,' zei Frans tegen mij.

'Waarom?' wilde ik weten.

'Mijnheer, een huishouden zal ik u vertellen, een slagveld is er heilig bij. De juiste benaming voor een dergelijke puinhoop moet nog worden uitgevonden.'

'Een huishouden van Jan Steen,' zei ik.

De mond van de man tegenover mij zakte open, hij staarde mij met grote ogen aan en wist even helemaal niets te zeggen. Na enkele ogenblikken vond hij zijn spraak terug.

'Een huishou… gewéldig!' bulderde hij. 'Horen jullie dat, mannen? Een huishouden van Jan Steen!' Daarop greep hij met beide handen mijn hand en schudde die krachtig en langdurig. 'Uw uitspraak zou nog weleens de geschiedenisboeken in kunnen gaan.'

'Och …' zei ik met de bescheidenheid die mij zo siert.

'Een huishouden van Jan Ste… geniaal … gé-ni-áál!'

Ik slenterde nog wat langs de schilderijen en toen ik weer de zaal inkeek, zag ik dat iedereen plotseling was verdwenen. Een restje nevel dwarrelde nog door de ruimte. Alleen het Joodse bruidje Rebekka was er nog. Ze stond er wat verloren bij.

'Waar is Isaak?' vroeg ik.

'Naar huis,' zei ze met een allerliefst stemmetje, 'en ik ga ook. Morgen weer vroeg op.'

'Om hier te zijn.'

'Ja, we zullen wel moeten. Wij zijn in dienst van het museum om ons te laten zien aan de toeristen.'

Ze was in het echt nog mooier dan op het schilderij. Ik werd op slag verliefd.

'Nu Isaak er niet is,' zei ik, 'zou ik graag even zijn plaats willen innemen. Heel even maar.' Ik legde mijn linkerarm om haar schouder en op het moment dat ik, net als Isaak, mijn rechterhand op haar borst wilde leggen haalde ze uit en gaf me zo'n slag voor mijn hoofd dat ik stond te duizelen en op de grond viel.

Opeens ging er een lamp aan en zag ik mijn vrouw rechtop in bed zitten.

'Wat is er aan de hand?' vroeg ze slaperig. 'En wat doe je daar op de grond?'

'Het is de schuld van het Joodse bruidje,' zei ik.

'Van wie?' wilde mijn vrouw weten.

'Ze gaf een klap voor m'n kop.'

'Een klap van de molen zul je bedoelen.'

'Wijk bij Duurstede,' zei ik. 'Jacob van Ruisdael.'

'Misschien ben je zo vriendelijk om weer in bed te komen, ik wil namelijk verder slapen.' Daarop ging ze liggen en deed het licht uit.

De volgende keer breng ik een bezoek aan het wassenbeeldenmuseum. Lijkt me ook heel spannend.

 

© Carl Slotboom / 2023