Home » Verhaaltjes » In de dierentuin

IN DE DIERENTUIN


IN DE DIERENTUIN

 

‘Is deze plek nog vrij,’ vroeg de vrouw aan de man die op het bankje zat en vergenoegd voor zich uit zat te staren.

‘Ja,’ antwoordde deze, ‘gaat u zitten.’

De vrouw zeeg met enig zuchten en steunen neer op het bankje, vanwaar zij uitzicht had op het kleine speeltuintje, waar kinderen zich op deze zonnige woensdagmiddag uitstekend vermaakten. Het was een gejoel en geschreeuw van jewelste.

‘Leuk,’ zei de vrouw, ‘al die kinderen.’

‘Ik had net zo goed naar het speelplaatsje in het park kunnen gaan,’ antwoordde de man, ‘had me een hoop centen gescheeld.’

Hij was van middelbare leeftijd en had een vriendelijk gezicht.

‘Ik dacht bij mezelf, kom dacht ik, laat ik die jongen een plezier doen en naar de dierentuin gaan. Wat denkt u?’

Hij wachtte het antwoord niet af.

‘Hij heeft even bij de papegaaien staan kijken, rende toen langs de kamelen en dook vervolgens de speeltuin in.’

De vrouw opende haar handtas, haalde er een papieren zakdoekje uit en snoot omslachtig haar neus.

Uit de kluwen kinderen maakte zich een jongetje van een jaar of zes los en kwam op de bank toe gerend. Achter hem aan holde een ander kereltje.

‘Mag ik een ijsje opa?’

‘Ja hoor.’

‘Mag hij ook een ijsje?’ vroeg hij en wees met een vinger, waar het zand uit de zandbak nog aan kleefde, naar het andere jongetje, dat een beetje achteraf stond.

‘Wie is dat jongetje?’ vroeg de man.

‘Dat is mijn vriendje.’

‘Hoe heet je vriendje?’ wilde opa weten.

‘Dat weet ik niet.’

De man pakte zijn portemonnee en gaf zijn kleinzoon een briefje van vijf euro. Samen met zijn nieuw verworven vriendje rende hij naar de kiosk.

‘Kost nogal wat vandaag de dag, een dagje naar de dierentuin. Maar ja, dat heb ik graag voor hem over hoor.’

‘Ik heb sinds een jaar een abonnement,’ zei de vrouw, ‘ik loop naar binnen als ik daar zin in heb. Ik woon een paar straten verderop, drie hoog. Ik heb wel een balkonnetje, maar daar ben je ook gauw uitgekeken hoor. Mijn vriendin zei dat ik een treinabonnement moest nemen. Kwam ik nog eens ergens. Ik zie mij toch echt niet door Nederland treinen en dan in bijvoorbeeld in Hoogeveen uitstappen. Wat moet ik nou in Hoogeveen? Ik ken daar helemaal niemand.’

De beide jongetjes kwamen weer terug, hevig likkend aan een ijsje.

‘We kregen geld terug opa.’

Hij gaf opa het wisselgeld en samen met zijn vriendje rende hij weer terug naar het speeltuintje.

‘Mijn buurvrouw heeft een abonnement voor het zwembad,’ ging de vrouw verder, ‘en vond mij wel een type om dat ook te nemen. Geen idee waar ze dat op baseerde, maar denk nou niet dat ik in een zwambad ga liggen, tussen al die blote lijven. Agat nee, mij niet gezien.’

‘Ik ben geen zwemmer,’ zei de man. ‘Ja, ik kan het wel hoor, maar ik ben er niet gek op. Al dat water om me heen.’

‘Bovendien piesen ze in die zwembaden gewoon van zich af.’

‘Is dat zo?’ wilde de man weten.

‘Ja hoor, ze laten het zo lopen. Getverderrie! Nee, mij niet gezien. Vorig jaar heb ik dus een abonnement gekocht op de dierentuin. Kijk, ik ben een vrouw alleen en als vrouw alleen moet je toch wat. Ja toch? Zoals ik al zei, dat balkonnetje kan ik onderhand wel dromen. En als ik er even uit wil, dan schiet ik hup de dierentuin in.’

De man naast haar deed er het zwijgen toe. Met een glimlach om zijn lippen keek hij vertederend naar zijn kleinzoon, die in een touw hing. Zijn vriendje trok hem aan zijn benen naar beneden, waarop de jongen in het zand terecht kwam.

‘Frits hield niet van dierentuinen.’

‘Frits?’ vroeg de man.

‘Mijn ex… goddank.’

Dat laatste kwam uit de grond van haar hart en gaf onmiddellijk een duidelijk beeld van het gestrande huwelijk.

‘Frits hield helemaal nergens van. Je kon het zo gek niet bedenken of Frits had er wat op tegen. Niks deugde. Wat een chagrijn zeg! Toen hij opkraste heb ik de vlag uitgehangen en zes weken laten wapperen.’

‘Dag Frits,’ zei de man en moest er zelf om lachen.

‘Hij was boekhouder, zat op de centen, ook thuis. Zo gierig als de pest. Maar goed, bij het bedrijf waar hij werkte droegen ze hem op handen. Op een gegeven moment vertelde hij dat hij een e.h.b.o. cursus moest doen van de directie. Ik dacht nog: een e.h.b.o. cursus? Wat valt er nou te ee-ha-bee-joën als boekhouder? Maar goed, wie ben ik? Dus Frits elke woensdagavond naar die cursus. Na een jaar dacht ik, hij moet onderhand huisarts zijn.’

‘Och, zo’n cursus kan lang duren,’ zei de man. ‘Je kunt allerlei vervolgcursussen doen.’

‘Ja, ammehoela met je vervolgcursussen.’

‘Oh,’ zei de man, die aan zijn water voelde welke kant dit op zou gaan. 

‘Na de cursus kwamen de wurksjups. Hij rolde van de ene wurksjup in de andere. Maar over de onderwerpen die daar behandeld werden was hij nogal vaag. Op een gegeven moment viel het me op dat hij zo’n eigenaardig luchtje om zich heen had hangen als hij ’s avonds thuiskwam.’

‘Ojee,’ zei de man.

‘Ja, net wat je zegt, ojee. Nou ja, lang verhaal kort, hij stoeide niet alleen met cijfertjes, maar ook met die sloerie van de afdeling expeditie. Hij had helemaal geen e.h.b.o. cursus gedaan en die wurksjups waren ook gelogen. Ik heb meteen de scheiding aangevraagd. Hij woont nu met die snollebol samen. Gatverdarrie, die meid is dertig jaar jonger. Dat verzin je toch niet?! Waar ze zin in heeft, zo’n ouwe kerel met een bierbuik en een kunstgebit.’

De kleinzoon en zijn vriendje kwamen weer naar de man gerend.

‘Mag hij bij ons eten?’

‘Nou, ik weet niet of zijn moeder dat wel goed vindt,’ zei de man.

‘Ja hoor,’ zei het vriendje heftig knikkend, ‘die vindt dat wel goed.’

‘Een volgende keer misschien,’ zei de man en weg waren de beide jongens weer.

‘Laatst droomde ik dat ik samen met hem hier in de dierentuin was. We stonden bij de krokodillen en op een gegeven moment heb ik hem gewoon over de omheining gekieperd. Die krokodil doet zijn lange bek open en weg was Frits. Jammer genoeg werd ik toen wakker, want ik had graag gezien hoe die krokodil hem opgepeuzeld had. Maar ja, je kunt niet alles hebben, zeg ik altijd maar.’

‘Nee,’ zei de man, ‘tel je zegeningen.’

‘Maar wat gebeurt mij een paar maanden geleden?’ ging de vrouw verder.

De man antwoordde niet en haalde zijn schouders op.

‘Ik zit op het bankje bij de chimpansees. Je weet wel, die apen met die rooie achterwerken. In dat hok zitten een stuk of tien van die apen en er zit een hele grote tussen. Een joekel van een aap, een soort chimpansee opperhoofd. Speelt ook voortdurend de baas. Maar hij kan goed met de andere chimpansees overweg, behalve met die ene.’

‘Die ene?’ wilde de man weten.

‘Ja, een wat miezerig aapje. Toen ik hem voor de eerste keer zag moest ik onmiddellijk aan Frits denken.’

‘Compliment voor Frits,’ zei de man.

‘Ik zit daar dus op dat bankje en kijk naar Frits, want zo had ik hem genoemd, Frits dus. Op een gegeven moment komt Frits in de buurt van het apen opperhoofd. Deze kijkt hem dreigend aan, laat zijn gore tanden zien en geeft hem zo’n opsodemieter, dat hij met een hinkstapsprong aan de andere kant van de kooi terecht komt. Hij zat helemaal in de kreukels.’

Hier zweeg ze even en staarde voor zich uit.

‘Ik weet niet wat het was,’ vervolgde ze haar verhaal, ‘maar ik kreeg opeens zo’n gelukzalig gevoel over me.’

Weer was ze even stil, haar blik gericht naar het grote niets, alsof zich voor haar geestesoog het hele tafereel afspeelde.

‘Nou en telkens als ik op dat bankje zit, herhaalt zich dit toneelstuk. Die opperaap die moet hem gewoon niet en geeft hem elke keer een enorme dreun voor z’n kop.’

Ze slaakte een zucht en er verscheen een gemeen lachje om haar lippen.

‘Kijk en dat maakt mijn bezoek hier nou zo ontzettend leuk. Elke keer als ik hier kom, ga ik als laatste naar de chimpansees. Als een soort toetje, waar je zo heerlijk van kunt genieten. Begrijp je wel?’

Ze stond op en beende kordaat in de richting van de chimpansees. Kijken hoe Frits afgerost werd. Subtiel vermaak. Maar is het niet zo dat het juist de kleine dingen zijn die het doen? Ja toch?

 

© Carl Slotboom / november 2020

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl