Home » Verhaaltjes » Een oeroude Hollandse traditie

EEN OEROUDE HOLLANDSE TRADITIE


EEN OEROUDE HOLLANDSE TRADITIE

 

'Vind je het niet vervelend?'

'Nee, natuurlijk niet, ga lekker kijken.'

'Ik wil een truitje op deze broek.'

'Neem de tijd, ik blijf hier staan en mocht ik toch onverhoopt een winkel binnengaan, bel me dan even dan kom ik naar je toe.'

Dan verdwijnt mijn vrouw in het kleding walhalla op zoek naar haar truitje. Ik heb er geen problemen mee te moeten wachten. Het is niet de eerste keer en het zal zeker ook niet de laatste keer zijn. Bij sommige kledingwinkels sta ik zo vaak op de stoep, dat het personeel al denkt dat ik van de bewaking ben. Een alleraardigst meisje heeft me ooit al eens een kop koffie gebracht. Ze dacht kennelijk dat ik bij het meubilair hoorde.

Het is een mooie zonnige dag en veel mensen hebben op deze zaterdagmiddag besloten naar de stad te gaan. Gewoon ontspannen slenteren door de winkelstraat, over de gezellig weekmarkt of een kijkje bij de haven nemen.

In de verte duwen twee mannen een draaiorgel voor zich uit. Ik heb er onlangs over gelezen in de krant. "De vereniging voor het behoud van het draaiorgel". Een hele mond vol, maar zo heet die club nu eenmaal. Een handjevol vrijwilligers komt eens in de zoveel tijd bijeen, praat met elkaar in een soort vaktechnische draaiorgeltaal en koesteren twee prachtige draaiorgels, als waren het hun eigen kinderen. Op zaterdagmiddag wordt één van de twee gevaartes van stal gehaald om het winkelende publiek muzikaal te vermaken. Zo ook op deze zonnige middag. Niet langer dan vijftien minuten op een plek blijven staan, dan weer verder. Dat is door de gemeente zo bepaald. En terecht. Na een kwartier draaiorgelmuziek heb je het wel gehad. Zo duwen de mannen als de tijd om is hun draaiorgel dus weer een eindje verderop.

Ze zijn inmiddels ter hoogte van de kledingwinkel aangekomen waar ik sta. Dit is de uitverkoren plek om vijftien minuten lang hun deuntjes de winkelstraat in te strooien.

Het orgel is met recht een draaiorgel, want er moet nog ouderwets worden gedraaid. De een draait, de ander manst. Op het ritme van de muziek laat de manser zijn koperen bakje dansen. Muntjes tikken tegen de binnenkant. Sommige voorbijgangers stoppen er iets in, waarop de manser als dank met zijn wijsvinger tegen de klep van zijn pet tikt. De meesten lopen echter door. Geen tijd, geen zin, geen kleingeld op zak. Ik vraag mij af of ik wel geld bij me heb. Dan komt de manser in mijn richting en om hem te ontwijken, besluit ik om langs de achterkant van het orgel naar de overkant van de straat  te lopen. Nonchalant zet ik de pas erin en op het moment dat ik achter het orgel uitkom, staat hij voor mijn neus en verspert mij de weg.

'Kijk meneer,' zegt hij, 'die truukjes ken ik zo langzamerhand wel.' Hij schudt met zijn bakje en ik graaf verwoed in mijn zakken, op zoek naar een muntstuk. Ergens heel diep in een hoekje vis ik een muntje van vijftig eurocent uit mijn zak. Ik moet een paar keer mikken, want de manser blijft maar ritmisch bewegen, zodat het bakje zich de ene keer links, dan weer rechts van mijn hand bevindt. Ah … hebbes! Ik hoor het muntje in het bakje vallen. Ik verwacht nu de wijsvinger aan de klep van zijn pet, maar ik kom bedrogen uit. Hij houdt het bakje stil, pakt het muntje eruit en houdt dat tussen duim en wijsvinger omhoog, vlak bij mijn gezicht.

'Is dat alles?'

'Hoe eh … hoe bedoelt u?' vraag ik.

'Of dat alles is. Die vraag is toch niet zo moeilijk?'

'Nee, dat niet eh …'

'Wij maken muziek, u staat te luisteren en vervolgens stopt u een lullig klein bedrag in mijn bakje.'

'O,' zeg ik, even uit het veld geslagen.

'Voor vijftig eurocent genieten van onze muziek. Nou nou, u durft.'

Ik weet werkelijk niet wat ik hierop moet zeggen.

'Weet u wat het onderhoud van zo'n orgel kost?'

Ik weet het niet. Nu moet ik daarbij aanteken dat ik mij nooit zo heb verdiept in het draaiorgelwezen.

'Ik zal u de bedragen besparen meneer, maar ik kan u wel vertellen dat we er met vijftig eurocent niet komen.'

'Nee, dat eh …'

'Kijk meneer, wij houden met hangen en wurgen een oeroude Hollandse traditie in stand en wat doet u?'

'Ik eh …'

'Juist ja, u scheept ons af met een bedrag waar de honden geen brood van lusten.'

'Nou, de bedoeling was …'

'Natuurlijk, de bedoeling was goed. Dat wilde u toch zeggen? Maar u zult het toch met mij eens zijn dat er van goede bedoelingen geen draaiorgel onderhouden kan worden.'

'Nee, dat lijkt mij eh …'

De man doet nu een stapje terug en bekijkt mij langzaam van top tot teen.

'Zal ik u eens wat vertellen? U lijkt mij het type dat met zijn vrouw de boodschappen gaat doen en meteen bij binnenkomst in de supermarkt vooruit holt naar de worst- en kaasafdeling. Want daar staan de schaaltjes met lekkere hapjes, gratis en voor niks.'

Hij helt naar voren en zijn hoofd is nu vlakbij het mijne.

'En maar graaien hè? Ja, want zo zijn wij Nederlanders. Als het gratis is, nou, dan willen we wel, dan duwen we iedereen opzij. Ja toch?'

Ik wil zeggen dat ik zo'n type niet ben en bovendien nooit met mijn vrouw samen naar de supermarkt ga. De man geeft mij echter de gelegenheid niet.

'En dan ook hier het lef hebben om voor een appel en een ei een graantje mee te pikken van onze muziek. Bah! Gierige krent!' blaft hij in mijn gezicht.

In tegenstelling tot al die mensen die zijn bakje voorbij lopen, ben ik nog zo vriendelijk geweest er een muntje in te deponeren, is het weer niet goed.

'Wij slepen dit zware gevaarte naar de winkelstraat om de mensen een beetje vrolijkheid mee te geven en wat krijgen we? Juist! Vijftig lullige eurocentjes. Centennaaier!'

Dit laatste komt uit zijn tenen en hij loopt rood aan.

'Maar ik zal jou wel even opknappen, ome Dagobert,' zegt hij. Daarop pakt hij mij onverwachts bij mijn arm en trekt mij achter zich aan naar de voorkant van het orgel.

'Ga eens even opzij Gerrit,' zegt hij tegen zijn collega die staat te draaien.

'O, hebben we er weer een?' zegt Gerrit.

'Wat denk je?'

'Eurootje?'

'Nog erger … vijftig cent!'

'Vijftig cent?!' zegt Gerrit vol verbazing. 'Schaam jij je niet!' Het eerste tegen zijn collega, het laatste tegen mij.

'Kijk,' zegt de manser, terwijl hij mij nog altijd bij mijn arm vasthoudt. 'Dit is het wiel,' en wijst daarbij naar het wiel waar Gerrit zo-even nog aan stond te draaien. 'Nu laat jij ome Gerrit en mij maar eens even horen hoe lekker jij kunt draaien.'

'Wie? Ik?'

'Dan weet je hoe zwaar dat is en dan zul je spijt krijgen dat je ons probeerde af te schepen met je vijftig eurocent.'

'Maar ik heb nog nooit …'

'Aan het wiel gedraaid,' vult de man aan. 'Nee, dat begrijp ik, maar alles moet de eerste keer zijn. Kijk, dit is het handvat,' zegt hij, terwijl hij mijn hand om het handvat legt. 'Het is een draaiorgel, dus het enige dat je moet doen is draaien. Kind kan de was doen. Gesnopen?'

'Ik geloof het wel.'

'Hij gelooft het wel', zegt Gerrit op sarcastische toon.

'Nou, kom op,' zegt de manser, 'draaien dus.'

Links en rechts staan voorbijgangers stil en kijken in onze richting. Zenuwachtig zoek ik tussen de mensen naar mijn vrouw. Nergens te zien natuurlijk, nog druk met haar truitjes.

'Komt er nog wat van?' vraagt Gerrit op barse toon. 'Draaien is er gezegd!'

Dan begin ik te draaien en merk al heel snel dat dit nog niet zo eenvoudig is. Het orgel jankt door de winkelstraat.

'Je moet gelijkmatig draaien vriend,' zegt Gerrit, 'anders is het geen gehoor.'

'Ik moet er nog even inkomen,' verontschuldig ik mij.

'Niet lullen maar poetsen,' zegt de manser.

Weer begin ik te draaien en na een paar keer heb ik de slag al aardig te pakken. Het klinkt voor mijn gevoel in ieder geval al beter dan de eerste keer.

'Mooi, stoppen maar,' zegt Gerrit en trekt mij bij het orgel vandaan.

De manser pakt mij hardhandig bij de kraag van mijn jas.

'Als ik jou nog één keer bij m'n draaiorgel in de buurt zie, krijg je zo'n dreun voor je kop, dat je de eerste veertien dagen alleen maar draaiorgelmuziek in je suisende oren hoort. Heb je dat goed begrepen?'

'Ja,' stamel ik geschrokken.

'Zo,' zegt de man, 'en dan nu opgehoepeld!'

Daarop geeft hij mij zo'n enorme schop onder mijn kont, dat ik met een soort hinkstapsprong door de winkelstraat tuimel, recht op een terrasje af. In mijn val neem ik een tafeltje en twee stoelen mee.

'Wat is er aan de hand?' zegt mijn vrouw, terwijl ze het lampje op haar nachtkastje aandoet. 'Wat zit je daar nou?'

'Och,' zeg ik, terwijl ik besef waar ik mij bevind. 'Ik zit 's nachts graag een paar minuten op de grond.'

'Gaat het wel goed met je?' vraagt ze bezorgd.

'Uitstekend,' zeg ik, terwijl ik overeind krabbel en weer in bed stap. 'Het is allemaal jouw schuld. Als jij niet zo lang werk had gehad in die kledingzaak was dit allemaal niet gebeurd.'

'Vertel me dit morgen maar. Welterusten.'

Liggend op mijn rug staar ik nog enkele ogenblikken in de duisternis. Dan voel ik hoe mijn oogleden zwaar worden en heel langzaam, onder de klanken van draaiorgelmuziek, glij ik weg naar een diepe, droomloze slaap.

Prachtig, deze oeroude Hollandse tradities. Laten we ze vooral blijven koesteren.

 

© Carl Slotboom / januari 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl