WEIHNACHTSMARKT


WEIHNACHTSMARKT

 

Toen ik de kleine kroeg betrad zat een ronde dame met een prettig decolleté te knabbelen aan nootjes, die de kastelein, gedrongen en met het figuur van een zwaargewicht, in een glazen bakje had gedeponeerd en voor haar op de toog had gezet. Ze was de vijftig reeds lang gepasseerd, iets te zwaar opgemaakt en keek niet erg opbeurend.

'Piet wil nooit wat,' zei ze tegen niemand in het bijzonder, terwijl ze een nootje in haar mond stopte en haar gulle borsten op de toog legde. 'Ik kom met allerlei voorstellen, maar nee, hoor, meneer hangt liever onderuit op de bank en kijkt naar de tv.'

'Een echte doener, die Piet,' zei de kastelein.

'Het enige dat hem interesseert is voetballen.'

'Nou, dan heeft 'ie z'n hart op kunnen halen met die wk.'

'Wat vindt u nou van dat gevoetbal?' wendde de vrouw zich tot mij.

Ik kom uit een gezin waar voetballen niet op de agenda stond. Ik ben er niet mee opgegroeid en de koorts heeft me ook nooit te pakken gekregen. Van het Nederlands elftal heb ik alles bij elkaar misschien een half uurtje gezien. Ik had toevallig steeds iets anders te doen.

'Och,' zei ik. 'Ik heb daar niet zoveel mee. Ik vind af en toe een wedstrijd wel leuk om naar te kijken, maar ik loop er niet warm voor.'

'Nou, Piet zit aan z'n stoel vastgeplakt, niet bij die tv weg te tremmen. Bij elke wedstrijd zet 'ie een maf oranje petje op. Ik zei nog: "Piet, ze hebben verloren, hoor, ze zijn allang weer thuis," maar hij blijft dat petje ophouden. We moeten Piet na de laatste wedstrijd vanavond met behulp van de brandweer van z'n stoel los weken.

De deur ging open en met een man kwam een snijdende decemberkou de kleine ruimte binnen.

'Het is verrekte koud,' zei hij, terwijl hij in z'n handen ademde. 'Volgens mij vriest het.'

'Glaasje antivries dan maar, Bob?' grapte de kastelein.

'Wat een lolbroek, hè?' zei Bob tegen mij, met een blik naar de man achter de toog.

De vrouw schoof haar lege glaasje in de richting van de kastelein. Traag stond de man op van zijn kruk, strekte even zijn benen, pakte daarop een fles met een blauwachtige substantie en tapte het glaasje vol.

'Wat is dat?' vroeg Bob, terwijl hij op de fles wees en plaats nam aan de bar, tussen de vrouw en mij in.

'Heel sterk,' zei de man achter de bar, 'zou ik niet aan beginnen.'

'Schenk maar in,' antwoordde Bob.

'Zelf weten, hoor.'

'Ja, schenk nou maar in, zeurpiet.'

'Ze luisteren niet naar je, hè,' zei de kastelein tegen mij. 'Ik kan lullen als Brugman, maar ze weten het altijd beter.'

De kastelein schonk een glaasje vol met de blauwe vloeistof en schoof dit in de richting van Bob.

'Voorzichtig, het is straf spul.'

'Ja, hoor, nu weet ik het wel.'

Ik ben geen liefhebber van sterke drank en bestelde een biertje.

'En, Bob,' zei de vrouw, 'nog leuke dingen gedaan de laatste tijd?'

'Ik doe elke dag leuke dingen,' antwoordde Bob.

'Lijkt me heel vermoeiend,' zei de kastelein, die zich nauwelijks kon heugen wanneer hij voor het laatst iets had gedaan dat het predikaat leuk verdiende. O ja, hij was met moeder de vrouw deze zomer naar de Loenense waterval geweest. Dat was al jaren een wens van haar. Nou, behalve water dat naar beneden stroomde, was er niet veel te zien waarvan een mens in extase zou kunnen raken.

'We zijn naar de Weihnachtsmarkt geweest,' zei Bob en nipte van zijn drankje.

'Dat klinkt heel erg Duits,' zei de kastelein.

'Klopt, we waren in Keulen.'

'En, hebben jullie het leuk gehad?' vroeg de vrouw.

'Breek me de bek niet open.'

'Nou, dat klinkt heel erg positief,' zei de kastelein met een ironisch toontje. 'Kom maar op met je verhaal.'

'"We gaan naar de kerstmarkt," zeg ik op een dinsdagochtend tegen Erik.

"Dan gaan we 's ochtends," zegt 'ie, "dan kan ik 's middags naar voetballen kijken."

"Naar voetballen kijken? Ammehoela! Er wordt niet naar voetballen gekeken, we gaan naar de kerstmarkt in Keulen."

Hij hoorde het donderen.

"Maar ik wil helemaal niet naar Keulen," zegt die druiloor. "Ik wil voetballen kijken."

Ik kon 'm wel wurgen. Bedenk ik eens een keer iets leuks, wil meneer voetballen kijken. Ik zeg: "Als jij niet meegaat naar Keulen, ga ik alleen, sla daar een lekkere Duitser aan de haak, ik laat me van je scheiden en je ziet me nooit meer terug. Auf nimmer wiedersehen, dus." Nou, toen bond 'ie in. Ja zeg, wat krijgen we nou!

Ik had een hotelletje in de stad geboekt, vlakbij het station en vlakbij de Weihnachtsmarkt, want hij is ook nog te beroerd om te lopen. Dus ik denk, ik maak het hem zo makkelijk mogelijk, zodat ik daar in Keulen geen gezeik aan m'n hoofd heb.

Afijn wij op vrijdag met de trein naar Keulen. Ik had een leuke kerstmuts opgezet, met allemaal belletjes. Als je je hoofd bewoog begonnen ze te rinkelen. Heel erg schattig. Ik had een koeltas vol lekkere hapjes bij me. Ja, je moet toch een paar uur in die trein zitten. Hij vond het geloof ik wel leuk. Hij zat tenminste zeer geïnteresseerd om zich heen te kijken en ik heb hem niet horen mekkeren. We hadden een coupé voor onszelf. Je weet wel zo'n kamertje met een schuifdeur naar de gang. Heel luxe allemaal. Heel knusjes ook. Bij Arnhem begon ik trek te krijgen. "Ik ga de tafel dekken," zeg ik tegen 'm.

"De tafel dekken?" vraagt die slome duikelaar.

"Ja," zeg ik, "is dat zo gek? Het is tijd voor de lunch."

In de koeltas had ik een handdoek en die legde ik over de bank tegenover ons. Ik had van alles bij me: franse kaasjes, olijven, worst, pesto, broodjes, gedroogde tomaatjes, aioli. Je kon het zo gek niet bedenken. Ik had de halve Appie Heijn in de tas. Ik mieter de hele inhoud van die tas op die handdoek. Ik dacht: we mogen wel doortreinen tot Rome, willen we dit allemaal op krijgen. Voor de grens had ik al twee broodjes achter de kiezen. De hele tent stonk naar de franse kaas en de knoflook. Niet te harden die lucht. Net alsof iemand zes weken z'n voeten niet had gewassen.

We zijn nog niet koud de grens over, gaat de deur open en staan er een man en een vrouw in de opening. Zij zo'n kenauachtig type, met zo'n chagrijnig smoelwerk. Haar mondhoeken hingen zowat onder haar oksels. Een nek als een dokwerker en handen als kolenschoppen.

Hij stond een beetje achteraf en keek alsof 'ie in z'n broek had gepoept. Ik zeg: "Ja, bitte, wat is loos?" Ja, ik spreek heel erg goed Duits, al zeg ik het zelf.

"Wir haben diese Plätze reserviert," zegt die troel op een hele bitse toon en wijst naar mijn gedekte tafel.

Meteen even mee afrekenen, dacht ik. Even die kribbige bek snoeren. "Das mag wool zo zijn," zeg ik, "maar dan moessen sie wachten tot wij ausgegessen zijn." Ja, zeg, hoe vind je zo'n Duitse muts? Komt daar aan gemarcheerd en wil dat wij op stel en sprong die bank vrij maken. Nou, dacht het toch even niet.

"Laten we maar opruimen," zegt Erik. Typisch Erik; bange poepert. "Nee," zeg ik, "dat doen wij niet, ik heb m'n broodje nog niet op."

"Würden Sie so freundlich sein die Plätze frei zu machen?" zegt dat mens. Het klonk als een befeel.

"Nein," zeg ik, "zo freundlich zijn we even niet. Je wacht maar schön op je beurt."

Dat mens werd steeds roder en ze had ook nog zo'n belachelijk hoedje op. Een hoedje met een veer. Typisch Duits. Ze draait zich om en zegt tegen haar man:

"Heinrich, hol den Schaffner."

"O," zeg ik, "gehen wir dreigen?"

Die man weg en dat mens maar in die deuropening staan. Ik denk, je kunt de pot op. Ik neem nog een lekker olijfje en een plakje camembert. Na vijf minuten komt Lulleje Rozewater terug met een conducteur. O, een enige knul, met zo'n opwindend uniform aan. Ja, ik ben heel erg gevoelig voor uniformen.'

'Ik heb thuis nog een oude legerjas liggen,' zei de kastelein. 'Ik zal hem volgende keer aantrekken.'

'Nee, van jou raak ik niet opgewonden, zelfs niet als je een generaalsuniform aanhebt.'

'Probeer je aardig te zijn, is het weer niet goed.'

'"Laten we nou maar afruimen," zeurt Erik weer.

"Als je nou niet ophoudt met je gejammer," zeg ik, "dan smeer ik die camembert in je haar, vervelende klier." Ja zeg, ik werd me toch opeens een partijtje giftig. Nou en als ik giftig ben dan weet 'ie dat het oppassen geblazen is. Ik heb een paar maanden geleden nog een half servies aan diggelen gesmeten. Hij zei dan ook even helemaal niets meer.

"Goedemiddag," zegt dat uniform. "Wat is hier aan de hand?"

"Helemaal niets," zeg ik, "wil je een olijfje met knoflook?"

Nee, hij wilde geen olijfje, hij wilde helemaal niets. Het enige dat hij wilde was dat wij onze gedekte tafel af zouden ruimen, zodat mevrouw en meneer Müller op hun gereserveerde plaatsen konden zitten.

"O, lieve schat," zeg ik, "is dat alles? Waarom zeggen die aardige mensen dat dan niet meteen?"

Je wilt niet weten hoe langzaam ik die tas weer heb ingepakt. Op de bank lagen allemaal broodkruimels. Ik dacht: die veeg je er zelf maar af. Afijn, Jut en Jul gaan zitten en na een paar minuten zegt die troel: "Würden Sie so freundlich sein die Mütze ab zu nehem?"

"Was moes ich?" vraag ik.

"Das klingeln dieser Glöckchen stört mich."

Het werd steeds gekker met dat mens. Nu moest ik m'n muts afzetten omdat zij zich stoorde aan het gerinkel van de belletjes.

"Nou moesen sie mal even gans goet loisteren," zei ik, hevig met mijn hoofd schuddend. "Ik halte die mutse auf en als je niet ophoudt mit je Deutsche gezever, kriekst du zo'n lel das doe es in Keulen hoort donderen." Ik dacht: nog even doorgaan en je hebt een kledder te pakken.

"Sie haben keine Manieren," zegt haar man opeens. Ik had 'm nog niet gehoord.

Erik zat intussen als een hypnotiseur naar buiten te kijken, de zak. Liet mij alles alleen opknappen.

"Had je wat, Heinrich," zei ik.

Hij verslikte zich zowat.

"Für Sie, Herr Müller," zegt 'ie.

"Ja hoor, Heintje," zei ik. Hij werd helemaal rood. Ik dacht zo direct moeten we nog reanimeren. Afijn, ik schud nog een paar keer met m'n hoofd en laat de belletjes nog maar eens lekker rinkelen. Rinkeldekinkel. Ik heb die twee verder niet meer gehoord. Opeens waren we op het hauptbaanhoof in Keulen. Toen we op het perron liepen heb ik nog maar eens even naar die mensen gezwaaid. "Auf Wiedersehen," riep ik nog, maar ze gaven geen krimp.

Nou, toen waren we dus in Keulen.'

'Daar wilde ik vorig jaar ook naartoe,' zei de vrouw, 'met Piet. Maar ja, die had geen zin. Zijn we maar thuisgebleven.'

'Kan ook leuk zijn,' vond de kastelein.

'Nou, dan ken je Piet nog niet,' antwoordde de vrouw, wiens toon verried dat het met Piet thuis niet lekker toeven is.

'We komen dat baanhoof uit,' gaat Bob verder, 'staan we zo maar opeens op de Weihnachtsmarkt. Het zag er zo gezellig uit, overal kramen en overal lichtjes. Erik wilde meteen al de markt over. Hoe vind je zoiets? Eerst wilde hij helemaal niet en nu was hij er als de kippen bij. "Nee," zeg ik, "we gaan eerst naar ons hotel." Dat was maar een paar straten verder. Een leuk, knus hotelletje, heel enig allemaal. En de receptionist was ook zo'n leuke jongen, heel erg prettig om te zien. En hij had een hele mooie stem, een beetje zwoel. Ik was meteen verkocht. Ik dacht: ik moet er wel even bijblijven, anders lig ik hier zo in katzwijn in een hotel in Keulen. O, zie je het voor je? Ik gestrekt onder die balie met m'n belletjesmuts op.

Wij dezelfde avond nog naar de Weihnachtsmarkt. Je gelooft het niet, maar het begon ook nog een beetje te sneeuwen. O … énig allemaal. Ik begon spontaan te zingen van stille nacht, heilige nacht.

"Ik ga allemaal hele leuke dingen kopen," zei ik tegen Erik.

"We hebben rommel genoeg," zegt 'ie. Altijd zo heerlijk positief, hè, die Erik."

"We nemen eerst een Glühwein," zeg ik tegen 'm. "Om in de stemming te raken."

Wij aan de Glühwein. Ik dronk het als limonade.

"Een beetje rustig aan," zegt Erik, "dat spul is best sterk."

"Het is maar één keer kerstmis," zei ik. "Ik neem er nog een en dan neem ik straks ook nog zo'n heerlijke braatwoerst."

Ik denk: ja, ik ga gewoon lekker genieten. Wie weet of ik ooit nog in Keulen kom. Afijn, wij weer verder. Leuke, gezellige kraampjes allemaal. O, heel erg knus. Heel erg schattig. En al die Keulerikken vonden het ook heel erg leuk, dat zag je gewoon. Opeens zie ik me daar toch een leuke glazen sneeuwbol. Je weet wel, zo'n glazen bol met iets erin en als je dan schudt gaat het sneeuwen. In deze bol stond de dom van Keulen. Ik schudden en het begon me toch te sneeuwen. Het leek de Noordpool wel. "Deze wil ik hebben," zeg ik tegen Erik. Ik zet dat ding weer neer om mijn portemonnee te pakken, grijpt opeens een vrouw, zo'n potig type, mijn glazen bol en zegt tegen de verkoopster: "Was kostet diese Schneekugel?"

Ik zeg: "Nehmen sie miech niet kwalijk, aber deze koegel is voor mieg."

Dat mens kijkt me aan alsof ze snot zag branden. Haar vriendin stond naast haar, ook zo'n manwijf en die zegt tegen me: "Meine Freundin kauft diese Schneekugel, ob es Ihnen gefällt oder nicht."

Ja, zeg, hoe vind je zoiets?

Ik ga vlak voor haar staan en zeg: "Nou moessen sie mal even gans koet loisteren, iech kaufe diese koegel en jetzt opzouten."

"Rustig nou," zegt Erik, "rustig nou, er zijn nog glazen bollen genoeg."

"Ja, maar niet met de dom."

"Dan neem je toch iets anders."

"Nee," zeg ik, "ik wil deze," en ik ruk die glazen bol bij dat wijf uit haar hand.

Opeens geeft ze me een duw en val ik tegen Erik aan. Nou, toen was ik helemaal klaar. Ik was opeens helemaal over de rooie. Ik zeg: "Hier, pak aan, Keulse pot," en ik geef haar toch een slag op haar ordinaire bek. Ze viel met haar dikke achterwerk boven op de kraam. Alles vloog in het rond. Een puinhoop zal ik je vertellen, niet te filmen. Het leek wel een slagveld. Duwen en trekken, gillen en krijsen. Iedereen rende door elkaar. Het was echt bar en boos. In de chaos waren een paar kaarsen omgevallen en voordat ik het goed en wel besefte zag ik overal vlammen. De hele boel stond in lichterlaaie. Het brandde als een fakkel. Wel mooi trouwens.

"Kom op," roept Erik, pakt me bij m'n arm en sleurt me die markt over. "Wegwezen hier!"

Toen we op onze hotelkamer zaten hoorden we van alle kanten sirenes. Ja, wie zet er nou ook echte kaarsen in z'n kraam? Dat is toch vragen om problemen? Zeg nou zelf.'

'Jullie konden je dus niet meer laten zien op die Weihnachtsmarkt,' zei de vrouw.

'Er zijn door de hele stad Weihnachtsmarkten, dus we hebben ons uitstekend vermaakt. O, heel erg leuk allemaal.

Bob stond op en liep naar de kapstok.

'Kijk,' zei hij, terwijl hij iets uit zijn jaszak pakte, 'is dit een mooie glazen bol, of niet?'

'Dat is een hele mooie glazen bol, Bob,' zei de kastelein.

Bob schudde en sneeuw dwarrelde naar beneden, over de Keulse dom.

'In de chaos ben ik helemaal vergeten om 'm te betalen. Nou, dat doe ik volgend jaar dan wel.'

 

© Carl Slotboom