MAN ALLEEN


MAN ALLEEN

 

Geheel onverwacht was hij gestorven, meneer Molenaar. Net voor zijn pensionering. Net nu het eindelijk leuk zou gaan worden. Dat hadden ze hem beloofd. 'Als je eenmaal gepensioneerd bent,' hadden ze gezegd, 'dan wordt het pas écht leuk.' Het waren de kenners, de genieters, de mannen die het konden weten. Achteraf bleken ze hem blij gemaakt te hebben met een dooie mus, want voordat de pret begon strooide Magere Hein plotseling roet in het eten en nam meneer Molenaar mee naar verre oorden, vanwaar nog nooit iemand was teruggekeerd.

'Ik zal 'm missen,' zei de kastelein van het kleine café, waar meneer Molenaar sinds jaar en dag, elke woensdagavond, een kop koffie en een borreltje kwam drinken. 'Zo maar ineens dood en nog geen vijfenzestig.'

Ook op kantoor waren ze geschrokken. Als iemand op een ochtend niet meer verschijnt moet dat even bezinken. Niet dat meneer Molenaar nou zo vreselijk opviel op de afdeling waar hij werkzaam was, maar zijn stoel bleef leeg en dat viel natuurlijk in het oog. Meneer Molenaar had op de werkvloer al die jaren geschitterd door een zekere afwezigheid, zo stilletjes achter zijn bureau, waar hij met de precisie van een Zwitsers uurwerk dát deed waarvoor hij van hogerhand werd betaald. Af en toe zei hij eens wat, maar zich echt in een gesprek mengen deed hij niet. Het was een wat dorre man. Geen type dat bij het jaarlijks terugkerende feest van de buurtvereniging voorzien van feestneus voorop marcheerde. Een serieuze, stille, in zichzelf gekeerde geest, meneer Molenaar, door moeder natuur met louter ernst volgeschonken. Het zat in de familie. Ook zijn ouders waren rustige mensen van weinig woorden geweest.

Ooit was meneer Molenaar in een ver, grijs verleden, met een niet weg te cijferen mollige dame, waar Rubens zijn handen vol aan zou hebben gehad, in het huwelijksbootje gestapt. Na de eerste maanden in vrij rustig vaarwater te hebben gedobberd, werd het links en rechts allengs woeliger en begon meneer Molenaar zich af te vragen of hij wel de juiste keuze had gemaakt. Maar zoals zo vaak: berouw komt na de zonde en achteraf heeft iedereen de wijsheid in pacht.

Al heel snel werd duidelijk dat zijn echtgenote de spreekwoordelijke broek aan had en geenszins van plan was deze uit te trekken. Moeders wil is wet.

Nee, het huwelijk van meneer Molenaar zou de boeken niet ingaan als zeer verkwikkend en met het verstrijken der jaren begon het steeds meer te lijken op een vrijwillig celibaat; lusten waren er niet, wel lasten.

De klad kwam er steeds meer in en het huwelijk begon, er was geen ontkomen meer aan, onherstelbare waterschade op te lopen. Maar ja, uit elkaar gaan was zo'n gedoe en meneer Molenaar, niet gewend het voortouw te nemen, liet het lijdzaam over zich heen gaan. Misschien ook hoopte hij op betere tijden.

Die kwamen er niet en op een druilerige woensdagavond vond hij een briefje op de keukentafel, waarop stond dat zijn echtgenote er de brui aan gaf en niet langer met hem aan één tafel wenste te zitten, om van het bed nog maar te zwijgen. Ze zou haar heil elders zoeken.

'Ze rommelde al een tijdje met een slager,' zei de kastelein. 'Een gewoon slagertje, hoor, niks bijzonders. Kijk, als het nou nog een keurslager was geweest dan had ik er nog enig begrip voor kunnen opbrengen.'

Toen meneer Molenaar de volgende dag op kantoor achter zijn bureau, zoals altijd, geheimzinnig cijfertjes optelde, aftrok, deelde en vermenigvuldigde, haalde zijn echtgenote haar persoonlijke bezittingen op, trok de deur voorgoed achter zich dicht en verdween tussen de worsten, de speklappen en het gehakt.

Echt bedroefd was meneer Molenaar niet, eerder maakte een gevoel van bevrijding zich van hem meester. Hij kon eindelijk eens doen waar hij zin in had, zonder het voortdurende gehakketak van zijn vrouw te moeten aanhoren. Nee, terug wilde hij niet, het was goed zo het was.

Maar de pest had hij wel in. Hij, die zijn hele leven had gewerkt, altijd keurig netjes zijn salaris had ingeleverd en zijn hand op had gehouden voor het zakgeld dat zijn vrouw erin legde, voelde zich toch bedrogen. Het briefje, waarop stond dat het huwelijk ten einde was, kwam hard aan. Dat had anders gemoeten na al die jaren vond meneer Molenaar. Netter, zorgvuldiger, met iets meer fatsoen, iets meer gevoel.

In zijn binnenste begon zich een plan te ontvouwen, eerst heel breekbaar en in de grondverf, maar met het verstrijken der weken begon het plan langzaam maar zeker vastere vormen aan te nemen. Het was een soort legsel dat behoedzaam uitgebroed diende te worden. Meneer Molenaar had de tijd, wilde niets overhaasten.

Op een vrijdagmiddag na kantoortijd was het dan zover. Die middag fietste hij, niet zoals altijd rechtstreeks naar huis, maar reed de buurt in waar zich de winkel bevond van de slager aan wie zijn echtgenote haar hart had verloren. Hij parkeerde zijn fiets tegenover de slagerij en hield als een havik het reilen en zeilen in de winkel in de gaten. Achter de toonbank stond de eigenaar. Meneer Molenaar kende de man niet en de slager op zijn beurt wist niet wie meneer Molenaar was. Dat was goed, vond hij, dat was héél goed. Na enkele minuten verscheen de ex achter de toonbank en begon met het helpen van een klant. Daar had meneer Molenaar op gewacht. Hij rechte zijn rug, stak kordaat de straat over, stapte de winkel binnen en wachtte geduldig tot hij aan de beurt zou zijn. Hij keek naar zijn ex en verbaasde zich erover hoe vriendelijk ze haar klant hielp en hoe behendig ze in de weer was met het vleeswaar. Zo kende hij haar helemaal niet. Gezien had ze hem nog niet. Intussen sneed haar nieuwe liefde, een klein, onooglijk mannetje met een kaal hoofd en een vooruitstekende bierbuik, driftig met een scherp mes vlees aan kleine stukjes.

'Waarmee kan ik u helpen?' klonk het vanachter de toonbank. Meneer Molenaar draaide zich om en op dat moment zag de vrouw dat het haar ex-man was die tegenover haar stond. Ze begon nerveus met haar mondhoeken te trekken, werd eerst rood en tenslotte zo wit als het jasje dat ze aanhad. Ze zag eruit alsof ze elk moment in een onbedaarlijke huilbui zou uitbarsten. Vanuit haar ooghoeken keek ze angstvallig naar haar minnaar, die echter onverdroten doorging met zijn snijwerk.

Meneer Molenaar deed alsof hij de vrouw voor het eerst van zijn leven zag en pakte doodgemoedereerd een briefje uit zijn jaszak.

'Ik heb het op een briefje geschreven,' zei hij. 'Mijn geheugen laat me de laatste tijd wat in de steek.' Daarop legde hij het papiertje voor zich op de toonbank en zag de vrouw haar eigen handschrift.

'Hier staat het,' zei meneer Molenaar en priemde met zijn wijsvinger op het papiertje. 'Boterhamworst.'

'Eh … ja,' zei de overkant en het viel meneer Molenaar op dat haar stem een stuk minder indringend en dwingend klonk dan hij al die jaren van haar gewend was geweest.

'Maar het moet vers van het mes zijn, niet dat voorverpakte,' zei hij, terwijl hij naar de pakjes vleeswaar wees die in de vitrine lagen, 'dat wil ik niet. Je weet nooit hoelang dat daar al ligt.'

Met trillende handen pakte zijn ex een stuk boterhamworst, liep als een marionet waarvan de touwtjes te slap hingen naar de snijmachine, zette deze aan en begon als een bezetene te snijden. Ze sneed maar door. Het zal van de schrik zijn geweest.

'Dat is wel genoeg,' riep meneer Molenaar, die de berg vleeswaar alsmaar hoger zag worden, waarop zijn ex de machine uitzette. Met een kartonnetje, waarop een aanzienlijke heuvel gesneden boterhamworst lag, kwam ze terug en legde het op de weegschaal.

'Ik wil graag twee plakjes,' zei meneer Molenaar, op het moment dat zijn ex de vleeswaar begon in te pakken.

'Tw .. twee plakjes?' stotterde ze.

'Ja,' zei meneer Molenaar, 'dat is ruim voldoende. Ik ben maar een man alleen.'

Uit verschillende zakken viste hij muntstukjes en legde die tergend langzaam op de toonbank. Het duurde en het duurde, ellenlang.

Buiten, op de stoep, at hij de beide plakjes worst op, duwde het plastic zakje met daarin het kartonnetje door de brievenbus, stapte op zijn fiets en reed vergenoegd naar huis.

'Elke woensdagavond dronk hij hier zijn kop koffie en zijn borreltje,' zei de kastelein. 'Alleen maar op woensdag. Daar week hij niet vanaf. Het was een min of meer symbolisch gebaar. Het was een woensdag geweest dat hij dat briefje van zijn vrouw had gevonden en die woensdag was het begin van zijn vrijgezellenbestaan, een soort feestdag. Nou, en dat vierde hij dus elke week met een kop koffie en een borreltje.'

Nu is meneer Molenaar gestorven, maar heeft nog wel even zijn gram gehaald. Oog om oog, tand om tand. Hij had er een goed gevoel bij. Het gaf rust.

'Twee plakjes,' zei de kastelein, bulderend van het lachen, 'ik ben maar een man alleen. Wat een gíller!'