Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Lekker smeuïg

LEKKER SMEUÏG


LEKKER SMEUÏG

 

Op een bankje in het Vondelpark zat ik in een heerlijk voorjaarszonnetje heel landerig niets te doen. Als er iets is dat ik als de beste kan, dan is het niets doen. Ik ben daar een ware meester in. Ik zou er eigenlijk een lintje voor moeten krijgen. Een koninklijk lintje. Het heeft Zijne Majesteit de Koning behaagd … enzovoort, enzovoort. Er zullen geen lintjes zijn voor mensen die heel goed niets kunnen doen, maar een kleine oorkonde zou er toch wel vanaf kunnen? We gooien het in de groep werd er in de jaren tachtig van de vorige eeuw geroepen. Alles werd in de groep gegooid. Dus: mocht u willen gooien, denk aan mij.

In de verte naderde een vrouw op een manier die me deed denken aan de intocht der Gladiatoren. Strijdvaardig, alsof ze de arena binnenstapte kwam ze in mijn richting. Ze zag eruit alsof ze het zwaard geslepen had en dit ook wenste te gebruiken. Ze bleef hoog en breed voor me staan, met een blik van: kom maar op, ik lust je rauw. Niet iemand om zonder handschoenen aan te pakken. Ik doe net of m'n neus bloedt, dacht ik, en probeerde langs haar heen te kijken. Dat was nog een hele klus, niet te doen eigenlijk. Ze was groot, log en haar handen leken twee bankschroeven. De leeuwen in de arena zouden er nog een hele kluif aan hebben. Op haar arm zat een heel klein hondje. U kent dat wel, zo'n heel klein eng hondje dat keft tegen alles wat beweegt. Dat deed het dus ook. Kefkef, deed de engerd in mijn richting. Kefkef! De vrouw tikte hem op zijn neus. Dat hielp. Hij slikte zijn laatste kefjes in en liet een zacht gegrom horen.

'Is er nog een plekje vrij?' vroeg ze.

Een plekje? Dat was wel heel erg optimistisch. Met een plekje zouden we het niet redden. Een ruime plek zou ik willen zeggen. Meer dan ruim.

'Ja,' zei ik, 'gaat u zitten.'

Dat deed ze. Ik veerde een halve meter omhoog en kwam met een klap weer op het harde hout terug. Au! Het hondje keek mij vuil aan, alsof ik zojuist zijn lievelingsbot had afgenomen en het vervolgens op een voor hem onvindbaar plekje had verstopt.

'Hier kan ik hem mooi aan zien komen,' zei de vrouw en keek langs mij heen het pad af.

Ik keek ook. Zinloos, want ik had geen idee wie er in aantocht was.

'Ik mep hem als het moet het hele Vondelpark door,' zei ze met enige stemverheffing. Het hondje begon onmiddellijk weer te keffen. De vrouw tikte hem weer op zijn neus.

'Ik denk dat ik maar eens opstap,' zei ik en wilde opstaan.

Ze legde een van de bankschroeven op mijn arm en belette mij daardoor omhoog te komen. Het hondje deed ook een duit in het zakje. Hij kwam een beetje naar voren en hapte in mijn richting. Met een ruk trok in mijn arm terug. Kleine hondjes kunnen venijnig bijten.

'Hij doet niets, hoor,' zei de vrouw, 'bovendien heeft 'ie geen tand meer in z'n bek.'

'Gelukkig maar,' antwoordde ik.

'Kijk, meneer, ik ben nu meer dan dertig getrouwd. Bent u ook getrouwd?'

Aangezien ik niet zoveel zin had mijn huwelijksleven hier in het Vondelpark te ontvouwen, hield ik het tussen: ongeveer en zoiets. Geen probleem, want ze luisterde toch niet. Uit haar tas pakte ze iets wat ze bij het hondje in zijn bek stopte. Geen idee wat het precies was, maar het hondje genoot er hoorbaar van. Kwijl liep op de mouw van de vrouw. Kennelijk veroorzaakt door zijn tandeloze bekje.

'Het viel me al op dat hij de laatste tijd steeds vaker van huis was. Kijk, hij is afgekeurd, dus heeft de tijd aan zichzelf. Maar hij zat altijd thuis. Als ik dan zei: "Ga eens een beetje wieberen, want je loopt me in de weg," zei die: "Wieberen? Waar moet ik naartoe dan?"

"Wat kan mij dat nou schelen," zei ik dan, "als je maar ophoepelt."

Op een dag ging 'ie 's morgens tegen een uur of elf weg. Ik dacht: mooi, opgeruimd staat netjes. Tegen een uur of vier kwam 'ie weer boven water. Een kop als een boei en een kegel van drie meter. "Heb je in de kroeg gezeten?" vroeg ik.

"Ik heb een kleine versnapering tot mij genomen," zei die.

"Een kleine versnapering?" zei ik. "Ach man, ga toch fietsen, je hebt geen meter zicht volgens mij."

De volgende dag ging 'ie weer op pad. Toen hij langs me heen liep kwam er toch een wolk aftershave op me af. Ik moest naar adem happen om een beetje lucht te krijgen. Afijn, dat ging zo een paar weken door. In het begin vond ik het wel lekker rustig. Maar na een tijdje begon ik toch wat argwaan te krijgen. Dat kwam door die lucht die hij om zich heen had hangen, hè. Waar was die man de hele dag? Wat spookte die uit? Vandaag ben ik hem dus maar eens achterna gegaan. Ja, van een veilige afstand natuurlijk. Wat denk je?'

'Geen idee,' zei ik. Ik kon er wel allerlei theorieën op los laten. Van de kroeg tot aan de Achterburgwal, maar ik besloot haar het woord te laten doen.

'Meneer zat op het terras bij American op het Leidseplein.'

Niks mis mee, dacht ik. Kan geen kwaad. Ik zit regelmatig op het terras bij American en dat vertel ik zelfs heel eerlijk aan mijn echtgenote.

'Tegenover hem zit een vrouw. Nou ja, vrouw, meer een del, een sloerie.'

Dat veranderde de zaak. Zo ver had ik het nog nooit gebracht. Als ik er zit, ben ik altijd uitsluitend in het gezelschap van mijzelf. Vandaar dat ik dat dus met een gerust hart aan mijn vrouw kan vertellen. Mochten zich vrouwen aansluiten zou ik heel wijselijk mijn mond houden. Dat begrijpt u.

'Ze had een bloesje aan waar de jongens zowat uitvielen,' ging ze verder. 'Ik zag 'm loeren. Hij kon z'n ogen er niet vanaf houden.'

Daar kon ik me wel iets bij voorstellen. Het is ook lastig als het hele gemoed zo pontificaal in de etalage wordt gelegd. Kijk dan maar eens een andere kant op. Kijk, je kunt wel heel spastisch doen en haar strak in de ogen blijven kijken, maar ze zou de indruk kunnen krijgen dat je een of andere enge oogziekte hebt. Hoe dan ook, je blik dwaalt af en komt, daar kun je gif op innemen, daar terecht waar je eigenlijk niet zou willen kijken, maar waar je wel van smult.

'Ja, maar dat was niet het ergste,' ging de vrouw verder.

Er kwam dus nog meer en ik vond het al zoveel.

'Ze hielden elkaars handen vast.' Het klonk als een geweersalvo.

Die kwam binnen. Dat was andere koek dan een onschuldig kopje koffie bij American.

'Gôh,' zei ik, bij gebrek aan betere tekst.

'Op een gegeven moment, ik moet even niet hebben opgelet, waren ze verdwenen. Ik kijk om me heen en zie ze nog net de Stadhouderskade oversteken. Hand in hand, meneer.'

Ik hoorde het al, het was dik aan met die twee.

'Ik er weer achteraan. Ze gingen het Vondelpark in en zochten een bankje uit aan het water. Het leken wel twee tortelduiven. Ik werd er kotsmisselijk van. Ik dacht, nu kan ik er wel op afgaan en een hoop herrie maken, maar wie weet hoe dat mens reageert. Straks lig ik met m'n goeie goed in de vijver. Nee, dacht ik, ik wacht het mooi even af. Hij zal zich toch een keer los moeten weken van die sloerie en dan grijp ik 'm. Op een gegeven moment kussen ze elkaar. Wil je wel geloven dat ik nog zit te griezelen? Getverderrie, ik moet er niet aan denken om die man te moeten kussen. Zij liever dan ik. Maar goed, zij staat op en gaat weg. Ik heb nog even gewacht en toen zag ik dat hij in de richting van de uitgang Stadhouderskade begon te lopen. Nou, hij komt dus nu deze kant op en ik hoef alleen maar te wachten.'

Weer keek ze het pad af en weer keek ik mee. Ik was nu toch wel heel erg nieuwsgierig geworden. Bovendien ben ik niet vies van een beetje sensatie.

'Daar komt 'ie aan,' zei ze. 'Kijk 'm lopen, Casanova.'

Ze schoof iets naar voren en rechtte haar rug. Helemaal klaar voor de aanval. Het kleine keffertje, dat voelde dat er iets opwindends ging gebeuren, spitse zijn oortjes en begon zoals verwacht te keffen. De tik op de neus kwam, de vrouw stopte weer iets in zijn tandeloze bek en het hondje was weer stil.

In de verte kwam een man aangeslenterd, in wie ik zo van afstand geen overeenkomsten zag met de Italiaanse avonturier en vrouwenverleider Giacomo Casanova. Maar goed, vrouwen hebben een andere blik en zien kwaliteiten die mannen weer niet zien.

De man kwam dichterbij en toen hij bijna bij ons bankje was ging de vrouw staan, groot en dreigend. De man schrok zich een ongeluk. Hij draaide zich om en wilde er vandoor gaan.

'Hendrik!!!' schalde het door het Vondelpark.

Alsof Hendrik een schot hagel in z'n rug kreeg. Hij verstijfde en durfde geen stap meer te zetten.

'Ga zitten, Hendrik,' blafte de vrouw.

Ik schoof een eindje op, zodat Hendrik naast zijn vrouw zou kunnen zitten, maar dat was niet de bedoeling.

'Nee, meneer, blijf waar u bent. Hendrik kan aan de andere kant van u gaan zitten. Ik moet die gluiperd niet naast me hebben, anders vlieg ik 'm aan.'

De gluiperd koos eieren voor zijn geld en nam plaats naast mij. Op het puntje van de bank. In de startblokken voor het geval het uit de hand zou lopen.

Het was een mannetje van drie keer niks. Een klein, schriel, sjofel kereltje, dat bovendien geen gebit in had.

'Wat zijn wij aan het doen, Hendrik?' toeterde de vrouw langs mij heen. Kefkef, zei het enge hondje.

Hendrik mompelde wat, maar dat was door zijn gebrek aan tanden niet goed te verstaan. Dat vond ik wel jammer. Het zag er naar uit dat ik een deel van de conversatie ging missen. Zijn vrouw scheen er geen moeite mee te hebben, die wist kennelijk om te gaan met tandeloze wezens.

'Wie was die sloerie met wie je zo intiem was?'

'Wranvriwka,' antwoordde Hendrik. De f en de s lagen wat moeilijk. Dit had uiteraard te maken met het ontbreken van het gebit.

'Francisca,' schamperde de vrouw. 'Fran-cis-ca,' zei ze nog een keer. Nu met wat meer nadruk. Wat een mooie naam voor zo'n hoerig type.'

'Wranvriwka is een keurige nette vrouw,' zei Hendrik.

'Een keurige nette vrouw?!'

'Ja,' antwoordde Hendrik.

'Nu moet ik toch echt even heel erg hard lachen,' zei de echtgenote en voegde meteen de daad bij het woord: 'HA HA HA.' Het galmde door het park. Kefkefkef, zei het hondje.

Een paar joggers die op dat moment voorbij liepen, schrokken zo dat ze zich verstrikten in elkaars benen. Met enige moeite wisten ze zich staande te houden en hun weg te vervolgen.

'Ik kan het allemaal uitleggen, Cor.'

'Noem mij geen Cor,' tetterde de vrouw. 'Voor jou ben ik Cornelia!'

Hendrik mompelde weer wat en weer kon ik het niet verstaan.

'Waar is je gebit?' vroeg de echtgenote.

'Hier,' zei Hendrik en pakte onder- en bovengebit uit zijn jaszak.

'Stop in je mond!'

Hendrik piekerde er niet over en stopte de hele inbouwapparatuur weer in zijn zak.

'Het is geen gezicht,' toeterde zijn wederhelft weer.

'Mompeldemompel,' antwoordde Hendrik.

Heel vervelend al die korte zinnetjes. Ik kreeg onderhand kramp in mijn nek. Dan weer naar links, dan weer naar rechts. Lastig als je in het midden zit.

'Thuis te beroerd dat 'ie uit z'n ogen kijkt, maar hier in het Vondelpark de pretletter uit gaan lopen hangen. Wat moet meneer hier wel niet van je denken?'

O, mevrouw sloeg een zijweg in en begon mij erbij te betrekken. Ik wil graag een beetje reuring, maar laat mij er wel buiten.

'Nou …' zei ik en bewoog mijn arm in haar richting. Voordat ik er goed en wel erg in had zat die tussen de tandeloze bek van het hondje.

'Au,' riep ik.

'Ach, meneer, maak niet zo'n spektakel,' zei de vrouw. 'Fifi heeft geen tand in z'n bek, dus zo zeer kan het allemaal niet doen. Ik rukte en trok, maar het kleine kreng weigerde los te laten. Zelfs niet toen de vrouw hem een tik op zijn neus gaf. Ik begon er schoon genoeg van de krijgen en met mijn vrije hand pakte ik het loeder bij een oor en trok er zo hard aan dat hij ten eerste onmiddellijk losliet en ten tweede zo jankte dat ik bang was problemen met de dierenbescherming te zullen krijgen.

'Wat krijgen we nou?!' tierde de vrouw. 'U trekt mijn Fifi aan zijn oortje?'

'Ja,' zei ik. 'Ik laat me niet bijten door zo'n schurftig hondje.'

Dit sloeg in als een bom.

'Schurftig hondje?!'

'Misschien heeft 'ie wel een of andere enge ziekte,' zei ik, terwijl ik over mijn mouw wreef die stijf stond van het hondenkwijl.

'Ik dacht dat u een heer was,' zei de vrouw. 'Maar ik moet constateren dat ik mij heb vergist.'

'Ik ben een heer,' zei ik, 'maar bij een uit de kluiten gewassen rat, die in mijn arm gaat hangen houdt mijn fatsoen op.'

'Schoft!' zei ze uit de grond van haar hart. 'Kom mee, Hendrik, wij gaan!'

Daarop stond ze op en liep in de richting van de uitgang.

'Ik zou er maar gauw achteraan gaan,' zei ik. 'U heeft heel wat uit te leggen.'

'Er achteraan gaan?' zei Hendrik. 'Ik kijk wel uit. Ik ben blij dat ik van dat loeder af ben. Ik ga naar Wranvriwka, die wil me graag hebben.'

Hij stond op.

'Ook zonder tanden,' zei die, 'dat vindt ze zo lekker smeuïg bij het kussen.'

Met kleine snelle pasjes liep hij in tegenovergestelde richting van zijn vrouw.

Weer een huwelijk gered.

 

© Carl Slotboom / januari 2022

www.carlslotboom.nl