Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Krantenmagnaat

KRANTENMAGNAAT


KRANTENMAGNAAT

 

Eens per jaar boeken mijn vrouw en haar vriendin ergens in het land een hotelletje onder het motto: even lekker bijkletsen. Ik had dus het rijk alleen. Hoe komt een mens aan zo'n luxe. Meteen nadat ze vertrokken was, nam ik mij voor de komende drie dagen eens zinvol te gaan besteden. Niet dat ik de overige dagen dat zij aanwezig is in onnut doorbreng. O nee, zeker niet. Ik verveel mij nooit en kom per dag altijd een paar uur tekort. Dat zit dus wel goed. Nee, ik wilde het de komende drie dagen eens helemaal anders gaan doen. Dingen ondernemen die je de rest van het jaar niet doet.

Ik zou bijvoorbeeld in de tuin kunnen gaan werken. Nu moet ik daarbij aantekenen dat ik er niet aan moet denken. Tuinieren is absoluut niets voor mij en mijn vrouw heeft mij het liefst heel ver uit de buurt als er iets in die tuin moet worden gedaan. Zij blij, ik blij. Klussen dan misschien? Gelukkig heb ik een broertje dood aan klussen, dus dit onderwerp kon ik meteen schrappen. Ik heb die mannen nooit begrepen die met hart en ziel staan te zagen, te boren en te timmeren. Vreselijk! Bovendien valt er met het weinige gereedschap dat ik bezit absoluut niet te klussen. Het is van een dermate inferieure kwaliteit, dat het al bij een beetje kluswerk van ellende uit elkaar valt. De garage dan maar eens opruimen? Alhoewel … Nu had ik eens drie dagen helemaal voor mezelf en nu zou ik gaan lopen zeulen met allerlei rotzooi? Nee zeg, doe me een lol. Nee, ik besloot een wandeling te gaan maken. Wandelen is gezond. Ja toch? Een gezonde wandeling dus. Een wandeling naar de kroeg. Ja, je moet toch een doel hebben, zeg nu zelf. Zomaar in het wilde weg overal naartoe benen leek me vrij onzinnig. Ik zou daarbij trouwens twee vliegen in één klap slaan. Beweging en daarna een dampende kop koffie. Eigenlijk moest ik wel, want ik heb namelijk geen idee hoe ons koffiezetapparaat werkt. Dat wil zeggen: ik weet de juiste verhoudingen niet; hoeveel water en hoeveel schepjes koffie. De kastelein weet dat wel, dus de keuze was snel gemaakt. De dag zag er veelbelovend uit.

Ik wilde het niet meteen overdrijven, maar besloot het langzaam op te bouwen. Tenslotte restten mij na deze dag altijd nog twee hele dagen. Genoeg gelegenheid om te wandelen dus. Nee, een korte wandeling leek mij voor de eerste dag meer dan genoeg. Twee straten van mijn huis verwijderd wist ik een leuk Amsterdams kroegje. Precies de juiste wandelafstand. Ja, ik ben een echte gezondheidsfanaat.

Aan de bar zat een vrouw van middelbare leeftijd. Ze was mollig, maar haar rondingen bevonden zich op de juiste plaatsen en in de juiste proporties. Ze oogde niet geheel onaantrekkelijk.

De kastelein keek enigszins verveeld voor zich uit. Hij had iets in zijn blik van: het zal mijn tijd wel duren. Een man die alles al gezien had en zich over niets meer opwond. Hij had iets rustgevends.

Ik bestelde een kop koffie.

'Warm hè, meneer?' zei de kastelein, terwijl hij langzaam overeind kwam.

'Drukkend,' antwoordde ik, 'heel drukkend, onweer is onderweg.'

De man zette mijn bestelling op de toog en ging weer zitten. In de verte begon het inderdaad te rommelen.

'En Gré,' wilde de kastelein weten, 'hoe gaat het met je vader?'

'Praat me d'r niet van,' antwoordde Gré, 'een regelrechte ramp.'

'Dat klinkt nogal dramatisch.'

'Geef me eerst maar eens een borrel, misschien ben ik dan in staat om het te vertellen.'

De kastelein pakte een klein glaasje, schonk een drankje van onbestemde kleur in en schoof dat in de richting van de vrouw.

'Hij zit toch in dat bejaardentehuis?'

'Hij zat,' zei Gré, 'hij zát.'

'Is 'ie overleden dan?' wilde de kastelein weten. Hij zette meteen een begrafenisgezicht op.

'Welnee,' zei Gré, 'hij haalt met gemak de honderd, hij is zo taai als rubber. Hij is springlevend.'

'Hij woont dus niet meer in dat tehuis?'

'Erger nog,' zuchtte de vrouw, 'hij woont bij mij.'

'Lekker dan,' vond de kastelein.

'Ik geef je te doen een vader van negenentachtig de hele dag over de vloer.'

'Mij niet gezien,' zei de kastelein.

'Ze hebben 'm uit het tehuis gezet. Hij was niet meer te pruimen.'

'Dan moet 'ie het wel heel bont hebben gemaakt.'

'Weet je wat het is?' zei Gré. 'Die bejaardentehuizen zitten vol met ouwe wijven. Die kerels gaan allemaal als eerste de pijp uit. Een luilekkerland voor die mannen. Ze hebben ze voor 't uitzoeken. Nou, en dat deed 'ie dus.'

'En dat mocht niet van de directie?' vroeg de kastelein met een glimlach.

'Nee, niet echt,' antwoordde Gré. 'Kijk, als 'ie nou gewoon een leuk vrouwtje had uitgezocht waarmee 'ie af en toe eens een koppie thee had gedronken of een potje had gerummikupt, was het allemaal niet zo erg geweest. Dat kan allemaal nog door de beugel.' Ze wendde zich tot mij. 'Ja toch?'

'Zeker weten,' antwoordde ik, terwijl ik zat te popelen naar het vervolg van het verhaal en een pilsje bestelde.

'Hij kon verdorie niet van de dames afblijven. Kun je je dat voorstellen, een vent van negenentachtig? Je schaamt je toch kapot? Er was helemaal niemand meer veilig in dat tehuis. Hij verstopte zich in een hoekje van het gebouw en als er dan een oud vrouwtje voorbij kwam, sprong hij opeens tevoorschijn. Als het daar nou maar bij was gebleven. Maar nee hoor, meneer begon om zich heen te graaien en te voelen. De meeste vrouwen schrokken zich kapot. Ja, die waren dat helemaal niet meer gewend natuurlijk. Er waren er ook bij die het wel lekker vonden hoor. Te lang droog gestaan hè? Op een gegeven moment werd ik gebeld door de directrice. Of ik eens even wilde komen praten. Afijn, ik naar dat tehuis. Een paar vrouwen hadden zich beklaagd. En terecht natuurlijk. Weet je wat 'ie zei? "Je gelooft toch zeker die voze praat van een paar ouwe demente wijven niet?" Uitgeluld was ik. Op een gegeven moment had 'ie zich weer verstopt. Er komt weer een vrouw aan en wat denk je?'

'Hij komt weer tevoorschijn,' zei de kastelein.

'Juist. Hij springt als een wildeman uit z'n verstophoekje en roept keihard: boe en begint meteen te graaien in het vrouwelijke vlees. Dat mens schrikt zich een ongeluk. Bleek het de directrice te zijn. Een rel is het geworden zal ik je vertellen, een rél. Ja, toen kon 'ie zich niet meer verschuilen achter ouwe demente wijven, want je kunt van de directrice van alles zeggen, maar dement is ze in geen geval. Nou, over en uit in dat bejaardentehuis.'

'En nu woont 'ie dus bij jou.'

'Nou, wat een feest. Geef me nog maar een borrel en tap meneer ook maar even bij.'

De kastelein deed wat gevraagd werd. Dat doen kasteleins meestal. Daarom worden ze ook zo gewaardeerd.

'Maar wat gebeurt mij nou een paar weken geleden?' ging ze verder met haar verhaal.

'Een paar weken geleden komt 'ie opeens naar huis met een jong ding met een hoofddoek om. Ik zeg: "Wat moet dit voorstellen?"

"Dit is Esmee," zegt 'ie. "Ze komt hier wonen."

Ik zeg: "Hoor ik het nou goed. Dit is Esmee en ze komt hier wonen?"

"Ja," zegt 'ie doodleuk, "we hebben verkering met elkaar."

Wil je wel geloven dat m'n bek openviel?'

'Ik geloof het,' zei de kastelein.

'Hij had d'r gevonden bij de supermarkt. Daar stond ze met de daklozenkrant. Ik zeg: "Nou even heel erg langzaam. Je hebt verkering met dit jonge ding? Dat meen je toch niet serieus?"

Ja hoor, hij meende het heel serieus.

Ik zeg: "En wat vindt Esmee daarvan?"

"Die is hartstikke verliefd."

"Heeft ze dat gezegd dan?" vroeg ik.

"Dat weet ik niet want ik kan d'r niet verstaan. Maar ik geloof het wel."

Ik denk: ik bel de rijdende psychiater, dan kunnen ze 'm meteen afvoeren. Intussen stond dat jonge ding er maar een beetje hulpeloos bij. Ik dacht bij mezelf: rustig en beleefd blijven. Dus ik zeg: "Dag Esmee."

"Goedmiddag," zegt dat kind. Bleek ze dus alleen "goedmorgen", "goedmiddag" en "dankoewel" te kunnen zeggen. Meer taalvaardigheden had ze ook niet nodig met die daklozenkrant. Ze had zelfs nog een stapeltje onder d'r arm.

"Waar komt dit kind in hemelsnaam vandaan?" vraag ik.

"Van de supermarkt," zegt 'ie.

"Nee," zeg ik, "uit welk land?"

Nou, dat wist 'ie dan niet, maar dat scheen 'm niet zoveel te interesseren.

"We gaan een bedrijf opzetten," zegt 'ie. "Ik koop een drukpers, die zet ik boven neer en dan drukken we onze eigen kranten. We worden schathemeltjerijk."

Ik wist niet wat ik moest zeggen.

"Er zijn mensen, die hebben eerst een krantenwijk gehad en zijn daarna miljonair geworden. Die weten van gekkigheid niet waar ze met de centen naartoe moeten."

"O," zei ik, "en nu denk jij op je ouwe dag nog even binnen te lopen." 

"We gaan morgen meteen de nodige machines kopen."

"Nou," zeg ik, "we gaan morgen eerst maar eens naar de huisarts."

"En volgende week gaan we ons verloven. Daarna trouwen we, heel groots. Ik huur een zaal waar wel honderd mensen in kunnen."

Ik denk: ik moet nu heel erg kalm blijven, want pa staat op het punt knettergek te worden. Ik zeg dus: "Laten we eerst maar eens even gaan zitten. Wij zitten en Esmee ook, op de grond. Ik zeg: "Pa, zou je je verloofde even willen zeggen dat ze op een stoel mag zitten?"

"Waar zij vandaan komt, zitten de vrouwen allemaal op de grond," zegt 'ie.

Ik zeg: "Ach man, lul toch niet, je weet geeneens waar ze vandaan komt."

We zitten goed en wel, wordt er aangebeld. Voor de deur staat een kerel met een enorme snor. Het leek wel een walrus. Hij ging toch tekeer zeg. En een hoop gebaren. Hij zwaaide zo met z'n armen, dat ik dacht: laat ik maar effe een stapje terugdoen, anders krijg ik zo direct nog een slag voor m'n harses. En hij schreeuwde maar door. Ik verstond er geen woord van. Opeens duwt hij mij aan de kant en stiert zo langs me heen naar binnen.

Ik riep nog: "Hé, wat mot dat?!" maar daar trok hij zich niks van aan. Ik erachteraan. Hij loopt als een dolleman op dat meisje af, grijpt haar bij de arm, trekt haar overeind en sleurt haar achter zich aan mee naar buiten.

Bij de deur draait 'ie zich om en zegt: "Mai doegter." En weg waren ze.

"Daar gaat je verloofde, pa," zeg ik nog.

"Hoef ik ook geen drukpers te kopen," zegt die grappenmaker.

"Kijk aan," zeg ik, "elluk nadeel hep se foordeel."

We kijken uit het raam en wat denk je?'

'Geen idee,' zei de kastelein.

'Pa en dochter stappen in een gloednieuwe Mercedes. Nou vráág ik je!'

"Zie je nou wel," krijste die ouwe naast me, "zie je nou wel dat je schatrijk kunt worden van kranten!"

Inmiddels was het gaan regenen. Tijd voor een nieuw pilsje en een nieuw drankje voor Gré. Ik vond dat ik de eerste dag dat mijn vrouw afwezig was uitstekend aan het besteden was. Ja toch? Zeg nou zelf.

 

© Carl Slotboom / mei 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl