JAN DOEDEL


JAN DOEDEL

 

Het zat Engelbert van Dreumelingen niet echt mee. De dames stonden niet voor hem in de rij. Het was geen dringen geblazen, zogezegd. Hij was klein, woog zo'n slordige negentig kilo en had o-benen, alsof hij hele dagen op het paard zat.

Hij leek op een duikelaartje, die moeite moest doen zijn evenwicht te bewaren. Van links, naar rechts en vice versa, maar telkens toch weer rechtop. Zijn hoofd was in verhouding te groot voor het lijf dat er onder zat, met aan weerszijden oren zo groot als slabladeren en een neus van een omvang waar Cyrano de Bergerac jaloers op zou worden. Kort en goed: Moeder Natuur was hem niet erg gunstig gezind geweest. Mama van Dreumelingen, die eruit zag als een natte krant en een kleur had alsof ze elk moment zou gaan overgeven, zag dit alles niet. Voor haar was Engeltje, zoals zij haar zoon liefdevol noemde, een schoonheid, een Don Juan. Een flitser waar Giacomo Casanova, de Venetiaanse vrouwenveroveraar, een puntje aan kon zuigen. Althans, volgens mama.

Zoonlief woonde, ondanks zijn bijna vijftig jaren, nog altijd onder het dak van zijn ouders. In het grijze verleden was Engeltje weleens met een vrouw naar huis gekomen. Meestal overgebleven winkeldochters, veel te lang in de etalage gelegen, door niemand begeerd en waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang was verstreken. Het duurde nooit lang. Binnen een dag waren de dames meestal weer uit het zicht verdwenen.

Engeltje, liever lui dan moe, had een broertje dood aan werken. Hij zat hele dagen op zijn kamer, at chips en staarde naar de televisie, ook als hij niet aanstond.

'Misschien moet je eens werk zoeken,' had papa al vaker gezegd.

'Laten we dat maar niet doen,' antwoordde Engeltje. 'Je weet dat ik van werken heel erg ga zweten.'

Terwijl hij door mama liefdevol Engeltje werd genoemd, noemden de dorpsbewoners hem, weliswaar achter zijn rug, Jan Doedel. Deze bijnaam had hij te danken aan het feit dat hij op doedelzakles zat bij een bejaarde Schot, die, Joost mag weten waarom, neergestreken was in de negorij waar Engeltje met zijn ouders woonde.

'Wordt het niet eens tijd, dat je op jezelf gaat wonen?' vroeg papa op een regenachtige zaterdagmiddag aan zijn zoon, die, uiteraard op kosten van zijn ouders, een zak met chips naar binnen zat te werken.

'Waarom?' vroeg mama, voor haar beurt sprekend.

'Ik vroeg het aan Engelbert,' diende papa zijn vrouw van repliek.

'Daar is Engeltje nog helemaal niet aan toe,' antwoordde mama.

'Mannen van zijn leeftijd horen niet meer bij hun ouders thuis te wonen,' zei papa, terwijl hij, onderuit gezakt, door de televisiezenders zapte en een slok van zijn bier nam. 'Mannen van zijn leeftijd zijn getrouwd en hebben kinderen.'

'Getrouwd?! Kinderen?!' vroeg mama verbaasd, alsof papa zojuist had gezegd morgen bij IJmuiden in zee te zullen springen en van plan was in Engeland aan wal te kruipen.

'Mens, dat is toch heel normaal voor een vent van vijftig?'

'Als het je stoort dan pak je je koffers maar.'

'Ha ha,' lachte papa schamper. 'Dat zou je wel willen, hè?'

Hij draaide zich naar zijn zoon en vroeg hem recht op de man af: 'Heb jij nooit eens behoefte aan een vrouw?'

'Aan een vrouw?' papegaaide mama, alsof haar echtgenoot zojuist een zeer oneerbaar voorstel had gedaan.

'Aan een vrouw?' vroeg Engeltje op zijn beurt. 'Wat moet ik nou met een vrouw?'

'Ja, wat moet hij in 's hemelsnaam met een vrouw,' deed mama bits nog maar eens een duit in het zakje.

'Goeie genade,' zuchtte papa en sloeg zijn ogen ten hemel.

'Heb jij behoefte aan een vrouw, Engeltje?' vroeg mama.

'Nou,' antwoordde Engeltje, 'ik heb niet zulke positieve ervaringen met het vrouwelijke geslacht,' doelende op de kortstondige affaires die hij in het verleden had.

'Zie je wel,' snetterde mama, 'daar is mijn jongen nog helemaal niet aan toe.'

'Hier,' zei papa en wees op een artikel in het plaatselijke sufferdje. 'Dit is misschien iets voor je; een vrijgezellenavond in het dorpshuis.'

'Wat moet ik daar doen dan?' wilde Engeltje weten.

'Kan hartstikke leuk zijn,' vond papa. 'Gelijkgestemden en zo. Lekker babbelen, kaartje leggen, balletje stoten, biertje drinken.'

'Engeltje drinkt geen alcohol.'

'Nou,' liet papa zich niet uit het veld slaan, 'een colaatje dan.'

Engeltje was intussen verdiept in het artikel.

'Eerlijk gezegd zie ik dat niet zo zitten,' zei hij, terwijl hij de krant weer teruggaf. 'Lijkt me een heel gedoe.'

'Ben jij nog te redden?' wilde papa weten.

'Och,' zei Engeltje en beende de kamer uit.

Misschien ontmoette zijn zoon op die vrijgezellenmiddag wel een heel leuke vrouw. Hem was het nooit gelukt. Hij moest zich tevreden stellen met Erna, niet bepaald moeders mooiste, die bovendien nog loensde.

Papa, die toen nog geen papa was, liep op een stikdonkere avond stomdronken de laatste overgebleven dorpsmaagd tegen het lijf, die, wanneer papa haar, in een vlaag van verstandverbijstering, zoals hij altijd beweerde, niet om haar hand had gevraagd, zonder twijfel zou zijn opgenomen in het herbarium voor vergeten fossielen.

Papa kwam moeizaam overeind; tijd voor een nieuw biertje.

 

'Ik denk dat ik toch maar eens naar die vrijgezellenavond ga,' zei Engeltje een paar dagen later tegen mama.

'Zou je dat nu wel doen, jongen? Wie weet wat voor griezelige types daar allemaal op af komen. Het lijkt mij het beste dat ik met je meega.'

'Nee,' zei Engeltje, assertiever dan mama van hem was gewend, 'ik ga daar alleen naartoe.'

'Bel me dan in ieder geval als je daar bent, anders ben ik doodongerust.'

'Dat zal ik doen, mama.'

'Papa kan je brengen met de auto. Als hij tenminste niet op kantoor ligt te rommelen met zijn secretaresse.'

'Nee, dat is niet nodig, ik pak de fiets.'

Toen Engeltje voor de zevende keer was gezakt voor zijn rijexamen, waarbij hij de auto van de rijschool total loss had gereden, had hij de moed, dat hij ooit nog een auto zou besturen, maar opgegeven en verplaatste hij zich uitsluitend met de fiets.

Die woensdagavond fietste Engeltje naar het dorphuis. De beheerder had de vrijgezellen een ruimte helemaal achterin het gebouw toegewezen.

'Je weet maar nooit wat die vrijgezellen allemaal uitspoken als ze zich tussen de overige gasten begeven,' had hij tegen zijn vrouw gezegd.

'Uitspoken?' vroeg zijn echtgenote.

'Die mensen staan al jaren droog, die worden natuurlijk onmiddellijk handtastelijk. Nee, we zetten ze in zaal vier, lekker achteraf. Kunnen ze ook geen kwaad.'

De deur van zaal vier stond open. Engeltje bleef een ogenblik in de opening staan, niet wetende of hij nu wel of niet naar binnen zou gaan. Een lange, broodmagere man, met een hoofd als een biet, stond in het midden van de zaal en kwam, zodra hij de nieuwkomer zag staan, op hem af.

'Frederiks,' zei hij, terwijl hij een hand zo groot als een kolenschop in de richting van Engeltje gooide. 'Welkom, welkom, ik ben de voorzitter van de vrijgezellenclub "D.V.V."'

'D.V.V.?' vroeg Engeltje, die de afkorting niet begreep.

'D.V.V., De Vrolijke Vrijgezel,' zei de man tegenover hem en ontblootte lachend een gebit, waar een flink paard jaloers op zou zijn geweest.

'Wat is de bedoeling?' wilde Engeltje weten.

'We hebben geen bedoeling,' antwoordde de paardenbek. 'Gewoon lekker babbelen met de overige aanwezigen en maar zien wat er van komt.'

'Wat er van komt?'

'Ja, gewoon kijken hoe het zich allemaal ontwikkeld.'

'Ja, ja,' zei Engeltje aarzelend, zich afvragend wat er dan wel ontwikkeld zou worden.

'Daar is de bar,' zei de man met een wijds armgebaar. 'Neem iets te drinken.'

Het was druk. Zeker vijftig vrijgezellen hadden de weg naar het dorpshuis gevonden, mannen zowel als vrouwen. Aan de bar bestelde Engeltje een rode wijn. Hij had nog nooit van zijn leven alcohol gedronken, mama was er fel op tegen, maar vandaag wilde hij eens een uitzondering maken. Bovendien was mama er niet en onderweg naar huis zou hij een pepermuntje nemen. Hij nipte aan de wijn, die, potdomme nogantoe, tegen alles wat mama altijd had beweerd, buitengewoon lekker smaakte. Nog maar een slok. Het brandde even tegen zijn gehemelte, maar na opnieuw een oceaanslok te hebben genomen, gleed het heel soepel naar binnen en naar beneden. Leeg was het glas.

'Lekker,' zei Engeltje en bestelde meteen maar een nieuwe. Met zijn tweede glas wijn, stiefelde hij naar een tafeltje, waarbij twee vrije stoelen stonden. Hij nam nog maar eens een flinke slok. Dit moest hij vaker doen. Gewoon een lekker flesje wijn kopen en die op zijn kamer burgemeester maken.

Veel vrijgezellen schenen elkaar te kennen. Er werden handen geschud, op wangen gekust en op schouders geklopt. Engeltje dronk zijn wijn als limonade en constateerde dat hij een heerlijk gevoel in zijn hoofd kreeg. Na een paar minuten stond er plotseling een vrouw aan zijn tafeltje, die een glas wijn in haar hand hield. Hij moest even niet hebben opgelet, want hij had haar niet zien aankomen.

'Is deze plaats nog vrij?' vroeg ze, terwijl ze naar de vrije stoel wees.

'Ja, deze is nog vrij,' antwoordde Engeltje en nam weer een slok. Verrek, het glas was al bijna leeg. Dat ging snel.

'Ik ben zo weer,' zei hij tegen de vrouw en stevende op enigszins onvaste benen naar de bar.

'U weet er weg mee,' zei de man die hem een nieuw wijntje inschonk.

'Ik heb al die jaren heel wat gemist,' antwoordde Engeltje en liep terug naar zijn tafeltje.

'Mag ik mij even voorstellen?' vroeg de vrouw tegenover hem.

'Ja, hoor, dat mag,' zei Engeltje, vrolijk en niet helemaal trefzeker. De alcohol begon zijn werk te doen en voor iemand die nog nooit had gedronken kwam de klap behoorlijk aan.

'Mijn naam is Allegonda Teutelaar,' zei de vrouw.

'Aangenaam, mevrouw eh … Teutelinges,' zei Engeltje, die constateerde dat zijn tong niet meer werkte zoals altijd.

'Teutelaar,' verbeterde de vrouw hem.

'Bent u ook vrijgezel?'

'Ja, helaas wel. Maar ik heb goede hoop ooit nog eens een leuke man tegen het lijf te lopen. Een leuke man met wie ik mijn leven zou kunnen delen.'

Allegonda Teutelaar zag er niet onprettig uit en Engeltje vroeg zich af waarom zo iemand nog vrijgezel was. Leuk gezicht, leuk figuurtje. Ja, wat hij zag beviel hem wel.

'Mijn naam is Engelbert van Dreumelingen,' zei hij, terwijl hij de vrouw glazig aankeek.

'Aangenaam, meneer van Dreumelingen. Leuk u te ontmoeten.'

'Vind ik ook,' zei Engeltje en nam voor de verandering nog maar eens een slok. Wel even opletten, want het werd een beetje wazig om hem heen.

'Ik kom hier elke maand, maar ik ontmoet eigenlijk nooit een man waarmee ik nou eens een leuk gesprek heb,' zei de vrouw.

'Misschien dat eh … misschien dat …' Verrek, hij kwam er niet op. Er moest ergens kortsluiting zijn opgetreden. Eerst maar even een slok.

'Mag ik met u proosten?' vroeg de vrouw.

'Ik zou niet weten waarom niet,' lachte Engeltje schaapachtig. Hij werd steeds losser en toen hij ging verzitten moest hij zich aan het tafeltje vasthouden.

'Hoppela,' zei hij.

'Op onze kennismaking, meneer van Dreumelingen.' De vrouw hief haar glas. Engeltje deed hetzelfde.

'Op onze kennismaking, mevrouw eh … op onze kennis eh … Teut.'

'Noemt u mij toch Gonda, meneer van Dreumelingen.'

'Als u Engeltje tegen mij zegt.'

'Met alle vormen van genoegen … Engeltje.'

'Gondel … eh Gonda.'

'Heeft u hobby's, meneer Engeltje.'

'Ik heb maar één hobby.' Engelbert kwam nu iets naar voren, leunde zwaar over de tafel en keek Allegonda hypnotiserend aan. 'Ik bespeel namelijk niet geheel onverdienstelijk de zak.'

Hier schrok Allegonda toch wel even van. In ondeelbare seconden concludeerde ze dat ze zojuist had kennisgemaakt met een heel enge, vieze man die er vreemde praktijken op nahield.

'De za…' stamelde ze.

'Ja, niet in het openbaar, natuurlijk.'

'Nee, dat eh … gôh …'

Allegonda wilde nog maar één ding: weg bij deze man, weg uit het dorpshuis.

'Ik doedel uitsluitend op mijn kamer,' ging Engeltje verder.

Ze kende veel uitdrukkingen, deze was nieuw.

'U eh … goeie genade …'

'Het is een echte Schot.'

Ook dat nog, hij doedelde met een man en dan nog wel met een Schot.

'Maar ja,' ging Engeltje onverdroten verder, 'als je doedelzak wilt spelen doe je dat natuurlijk op een echte Schotse doedelzak.'

Allegonda, die inmiddels lijkbleek was geworden, nam een enorme slok van haar wijn.

'U speelt eh … u eh …' stotterde ze.

'Ja, de doedelzak.'

Hier moest Allegonda even van bijkomen.

'Neemt u mij eh … neemt u mij vooral niet kwalijk …' Met een zakdoekje veegde ze langs haar voorhoofd. 'Goeie hemel!'

'Zo en nu nemen we nog een lekker glaasje wijn,' zei Engeltje. Hij voegde onmiddellijk de daad bij het woord, ging naar de bar en kwam terug met twee glazen wijn. Allegonda was intussen bijgekomen van de schrik.

'Nou, proost dan maar … Gonda.'

'Zou u mij een gunst willen bewijzen, meneer Engeltje?'

'Met alle vormen van genoegen. Zegt u het maar.'

'Zou u voor mij een stukje willen doedelen?'

'Heel erg graag.'

Samen wandelden ze naar Engeltjes ouderlijk huis. Fietsen ging niet meer, daar was de wijn debet aan. Tot diep in de nacht werd gedoedeld. Papa, die het gejank van de zak niet meer kon aanhoren, vluchtte naar de kroeg. Mama genoot. Allegonda, die het gevoel had eindelijk de man van haar dromen te hebben ontmoet, was in de zevende hemel en hoopte vurig, dat wanneer Engeltje door zijn repertoire heen was, aanstalten zou maken datgene te doen waarvan zij al jarenlang in eenzame nachten droomde. Dat deed Engeltje echter niet, hij doedelde maar door, zodat ook Allegonda zich voegde bij al die anderen die het na één keer voor gezien hielden. Zo hing Engeltje als vanouds op zijn kamer voor de televisie en at, uiteraard nog steeds op kosten van zijn ouders, zakken chips. De vrijgezellenclub hield hij voor gezien. Veel te veel gedoe.

 

December 2022