HET HUNEBED


HET HUNEBED

 

Voor meneer van Ravenswaey stonden de dames nou niet echt in de rij. Het was geen dringen geblazen zogezegd. Een lange, graatmagere, slungelige man met sluik haar en kostuums uit het jaar kruik, die als te grote zakken om zijn lijf slingerden. Als hij liep gingen zijn benen alle kanten op en zag het eruit alsof hij op schaatsen stond, maar de techniek niet beheerste. Hij sprak op een lijzige manier, daarbij elk woord nauwkeurig uitsprekend alsof hij op een dure kersenbonbon zoog. Hoewel meneer van Ravenswaey de vijftig al sinds een paar jaar gepasseerd was, woonde hij nog altijd in het ouderlijk huis bij zijn moeder. Een oude dame, die bij elk pijntje dacht ter plekke te zullen sterven. En pijntjes had ze, ze zat er vol mee. Links, rechts, onder, boven, ze voelde altijd wel iets.

'Vandaag is het zover,' zei ze dan, 'ik voel mijn einde naderen, vandaag ga ik dood.'

Moeder ging echter maar niet dood en wanneer de gemoederen dan weer enigszins tot rust waren gekomen in huize van Ravenswaey, leefde moeder gewoon weer verder met al haar klachten en kwalen. Ze sprak op een jankerige manier alsof ze elk moment in huilen uit zou kunnen barsten. Heel lang geleden had haar echtgenoot, genoeg van haar eeuwige geklaag, op een regenachtige woensdagmiddag zijn koffers gepakt en was met de noorderzon vertrokken. Niemand had ooit nog iets van hem vernomen. Niemand die hem ook had gemist.

'Ik heb niet lang meer, jongen,' zei ze op een zonnige zondagmiddag tegen haar zoon. 'Mijn einde is in zicht.'

'Ja moeder,' zei meneer van Ravenswaey, in de wetenschap dat moeder dit de komende jaren nog vele malen zou herhalen. 'Ja moeder, ik weet het.'

'Er komt dus een dag dat ik niet meer voor je kan zorgen.'

'Ik kan heel goed voor mezelf zorgen moeder,' zei haar zoon. 'Je hoeft je geen zorgen te maken.'

'Misschien moet je eens omzien naar een vrouw.'

Die kwam binnen. Meneer van Ravenswaey die in heel zijn leven maar één vrouw om zich heen had gehad, kreeg het gevoel alsof hij van de hand werd gedaan. Alsof hij in de etalage van de kringloopwinkel werd tentoongesteld.

'Een vrouw, moeder?'

'Ja, een vrouw die voor je zorgt zoals ik dat altijd doe.'

'Dit komt wel heel onverwachts, moeder. Ik denk erover na als we ons busreisje naar Drenthe achter de rug hebben.'

'Dat zal mijn laatste reis wel zijn,' zei moeder, die op het punt stond alweer dood te gaan.

De volgende dag stapten moeder en zoon in de bus voor een dagje Drenthe met bezoek aan de hunebedden en een paar uur later vergaapten beiden zich aan de enorme blokken steen die, Joost mag weten op welke manier, naast en op elkaar waren gelegd. Het kleine gezelschap dat voor dit busreisje had gekozen luisterde ademloos naar de gids, die bevlogen vertelde over het Trechterbekervolk dat met die enorme stenen had lopen sjouwen.

'Wat vindt u daar nou van?' vroeg een mevrouw aan meneer van Ravenswaey.

Ze was klein, mollig en het prototype van burgerlijkheid.

'Waarvan, mevrouw?' wilde meneer van Ravenswaey weten.

'Van die stenen,' zei de vrouw.

'Wat moet ik daarvan vinden?'

Moeder van Ravenswaey liep om de steenmassa heen en bekeek het tafereel tussen de vrouw en haar zoon vanaf de overkant.

'Mag ik mij even voorstellen?' hoorde moeder van Ravenswaey de vrouw zeggen. 'Mijn naam is Erna van Deursen.'

'Aangenaam,' antwoordde meneer van Ravenswaey. Dezederius van Ravenswaey is de naam. Moeder noemt mij altijd Dé. Wel zo makkelijk.' Hij lachtte daarbij als een blatend schaap dat in paniek is omdat het geschoren wordt.

'Ik zou zo graag eens naar binnen willen,' zei mevrouw van Deursen.

'Naar binnen?' vroeg meneer van Ravenswaey, die niet zo snel begreep waar mevrouw van Deursen nou precies naar binnen wilde.

'Ja, in dit hunebed. Dat lijkt me nou heel erg spannend.'

'Dan gaat u toch naar binnen.'

Mevrouw van Deursen legde nu haar hand op de arm van meneer van Ravenswaey.

'Ik durf niet. Je weet nooit wat je tegenkomt hè?'

'Wat zou u tegen moeten komen dan?' wilde meneer van Ravenswaey weten.

'Het zijn tenslotte graven. Ja toch?'

'Ah,' zei meneer van Ravenswaey, 'en nu bent u bang daar op een lijk te zullen stuiten.'

'Gatverderrie!' griezelde mevrouw van Deursen.

'Daar is al helemaal niets meer van over hoor. U kunt met een gerust hart naar binnen.'

'Ook geen botten?'

'Nee hoor.'

'Schedels dan misschien?'

'Allemaal al vergaan en opgeruimd.'

'O, dat is een pak van mijn hart.'

Mevrouw van Deursen kwam nu een beetje dichterbij.

'Zou u met mij mee willen gaan?'

'U bedoelt …?'

'Ja, dat bedoel ik.'

'Als u dat op prijs stelt wil ik u wel even begeleiden,' zei meneer van Ravenswaey.

'Laten we gaan,' sprak mevrouw van Deursen plechtig, alsof ze een zaal vol hotemetoten binnenstapte. Ze pakte meneer van Ravenswaey bij zijn hand en samen schuifelden ze voorovergebogen tussen de eeuwenoude stenen door. Eenmaal binnen aangekomen was het onmogelijk rechtop te staan. Als twee gebochelden stonden ze daar en vergaapten zich aan de binnenkant van het graf dat daar al duizenden jaren stond. Er was nauwelijks ruimte zich te bewegen en meneer van Ravenswaey begon het danig in zijn rug te krijgen.

'Zullen we even gaan liggen?' stelde mevrouw van Deursen voor.

'Liggen?' vroeg meneer van Ravenswaey. 'Hier, bedoelt u?'

'Ja, dat is nou altijd al een wens van me geweest,' zei mevrouw van Deursen. 'Ik heb altijd gedacht: als ik ooit naar Drenthe ga wil ik in een hunebed liggen. Vindt u dat een vreemde gedachte?'

'Absoluut niet,' antwoordde meneer van Ravenswaey, alsof het liggen in een hunebed tot de dagelijkse broodnodige behoeftes behoorden. 'Nee, niet in het minst.'

'U weet zeker dat er geen botten en zo meer liggen?' wilde mevrouw van Deursen toch nog even weten.

'Daar hoeft u echt niet bang voor te zijn. Gaat u maar lekker liggen.'

Hij zei het op een toon alsof hij een comfortabele Auping matras stond aan te prijzen.

Mevrouw van Deursen zakte door haar knieën, kwam op haar achterste terecht en enkele seconden later lag ze languit op haar rug in het hunebed waar eeuwen geleden mensen op dezelfde wijze in hadden gelegen. Met dien verstande dat zij dood waren.

'Dit is een hele nieuwe ervaring voor mij,' zei ze lichtelijk opgetogen tegen de nog altijd voorover gebogen meneer van Ravenswaey. 'U zou eigenlijk ook even moeten liggen.'

'Naast u?' vroeg hij.

'Ja, dat zal wel moeten,' antwoordde ze. 'Veel plek is er niet.'

Meneer van Ravenswaey zakte eveneens door zijn knieën en kwam door plaatsgebrek met zijn achterste op de buik van mevrouw van Deursen terecht.

'Au,' zei deze.

'Neemt u mij niet kwalijk,' zei meneer van Ravenswaey, terwijl hij van de buik van mevrouw van Deursen afgleed. Houterig ging hij op zijn rug naast haar liggen, terwijl hij naar boven staarde en zich afvroeg of er ooit een dergelijke steen naar beneden was gevallen.

'Het is hier wat nauw aan deze kant,' zei hij. 'Vindt u het goed dat ik aan de andere kant van u ga liggen?'

Hij voegde meteen de daad bij het woord. Hij draaide zich op zijn buik en begon over mevrouw van Deursen heen te kruipen. Het leken twee worstelaars die met elkaar in de clinch lagen.

Eenmaal bovenop mevrouw van Deursen gelegen zei meneer van Ravenswaey: 'Neemt u mij niet kwalijk, maar uw naam is mij even ontschoten.'

'Erna,' antwoordde mevrouw van Deursen. 'Erna van Deursen.'

'Mag ik Erna zeggen?' vroeg meneer van Ravenswaey, terwijl zijn gezicht zich vlakbij het hare bevond.

'Graag,' was het antwoord.

'Zegt u dan toch Dé.'

'Als u daar prijs op stelt.'

'Ik kruip even verder als u het goed vindt,' zei meneer van Ravenswaey.

'Ik vind het niet geheel onaangenaam,' zei mevrouw van Deursen.

'Ik ook niet,' antwoordde meneer van Ravenswaey. 'U heeft een prettig lichaam.'

'Het is al heel lang geleden dat ik een man bovenop mij heb gevoeld,' zei ze. 'Al zo lang dat ik het mij nauwelijks nog kan herinneren.'

'Als u wilt dan kan ik nog wel even blijven liggen,' zei meneer van Ravenswaey. 'Een kleine moeite.'

'Ja, doet u maar.'

Meneer van Ravenswaey lag als een plank bovenop mevrouw van Deursen, die onder zijn gewicht zwaar begon te ademen.

'Ik krijg allemaal kriebels in mijn buik,' zei ze. 'Heel vreemd.'

'Misschien heeft u wat last van uw darmen. Zal ik maar verder kruipen?'

'Nee, het zijn niet mijn darmen, die zijn in prima conditie. Nee, blijft u nog maar even liggen.'

Moeder van Ravenswaey die op het bankje had gezeten dat een aantal meters van het hunebed vandaan stond, had het allemaal niet gevolgd. Ze keek om zich heen en raakte lichtelijk in paniek. Ze kon tenslotte elk moment de pijp uitgaan en wilde dan toch wel graag haar zoon bij de hand hebben. Ze stond op en wandelde weer in de richting van het hunebed. Daar aangekomen zag ze haar zoon en een vreemde vrouw in een nogal ongebruikelijke houding liggen.

Ze boog voorover, loerde naar binnen en vroeg: 'Wat doe jij daar, Dé?'

'Ik lig in een hunebed, moeder.'

'En wie is deze vrouw, Dé?'

'Dit is Erna, moeder.'

'Erna van Deursen,' vulde mevrouw van Deursen aan.

'Kom onmiddellijk van die vrouw af, Dé.'

'Waarom, moeder?'

'Omdat het geen pas geeft met een wildvreemde vrouw in bed te liggen.'

'Een hunebed, moeder, een hunebed.'

'Een hunebed is ook een bed. Bovendien voel ik het einde naderen.'

'Ga dan maar even rustig op het bankje zitten, moeder, ik kom zo bij je.'

Moeder zeeg weer neer op het bankje, terwijl meneer van Ravenswaey zich van mevrouw van Deursen bevrijdde. Op handen en knieën kwamen ze even later uit het hunebed gekropen.

'Ik vond het een geweldige ervaring,' zei mevrouw van Deursen toen ze weer rechtop stonden.

'Ja, heel bijzonder,' vond ook meneer van Ravenswaey.

'Ik geef u mijn adres. We zouden na deze busreis eens een kopje koffie met elkaar kunnen drinken. Als u ook wilt natuurlijk.'

'Met alle vormen van genoegen,' zei meneer van Ravenswaey, terwijl hij een lichte buiging maakte en onmiddellijk zijn rug voelde van het voorover staan in het hunebed.

'Wie was deze vrouw, Dé?' wilde moeder weten.

'Erna van Deursen, moeder en we hebben afgesproken vandaag of morgen samen een kopje koffie te gaan drinken.'

'Een kopje koffie drinken? Met deze ordinaire vrouw?'

'Het is een keurige nette vrouw, moeder.'

'Keurige nette vrouwen liggen niet met wildvreemde mannen in een hunebed, Dé.'

'Er is niets gebeurd, moeder. We hebben alleen maar gelegen.'

'Men ligt niet bovenop een wildvreemde vrouw en al helemaal niet in een hunebed. Ik wil dat mens niet in mijn huis hebben, Dé. Bovendien ben ik door dit hele gebeuren zo van slag dat ik voel dat het einde nadert.'

'Ja, moeder, maar wacht daar nog even mee, want de bus vertrekt over vijf minuten.'

Daarop hielp meneer van Ravenswaey zijn moeder overeind en samen stapten ze in de gereedstaande bus, terwijl moeder haar heengaan voor de zoveelste keer in haar leven nog maar eens even uitstelde.

 

© Carl Slotboom / juni 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl