Home » Verhalen met een glimlach » Een verfrissende regenbui

EEN VERFRISSENDE REGENBUI


EEN VERFRISSENDE REGENBUI

 

Op mijn bankje in het Vondelpark, waar ik regelmatig zit en naar mensen kijk, in de hoop dat zij voor mij een bron van inspiratie zullen zijn voor een mijner verhaaltjes, plofte een man van middelbare leeftijd naast mij neer. Hij was gekleed in een joggingbroek van een onbestemde kleur en droeg daarboven een t-shirt met op zijn borst een afbeelding van een vrouwelijke filmster, die ik wel kende, maar waarvan ik de naam vergeten was. Hij zag er zo verhit uit, dat ik vreesde dat ik binnen afzienbare tijd hier met hem op de grond zou liggen om hem te reanimeren, aangezien voor mijn gevoel een hartinfarct aanstaande was. Ik keek om mij heen op zoek naar het bekende kastje waarin defibrillators hangen. In de verste verte niet te bekennen natuurlijk. Nu heb ik echter noch kaas gegeten van reanimeren, noch van defibrilleren, zodat de aanstaande patiënt onder mijn handen waarschijnlijk toch nog het loodje zou leggen. Even overlegde ik om gewoon op te staan en maar een ander bankje te zoeken. Ik ben daar heel erg goed in, quasi nonchalant de benen nemen als het spannend wordt en ik niet weet hoe met de situatie om te gaan.

De man zat enigszins voorovergebogen, zijn handen op zijn knieën en hij zuchtte en steunde als een dood paard. Toen hij wat op adem gekomen was en ik het gevoel had dat hij uit de gevarenzone was ontsnapt, durfde ik het woord tot hem te richten.

'Nou nou, u hijgt nogal,' zei ik.

'Beter een hijger naast je, dan aan je telefoon,' zei hij in onvervalst Amsterdams.

Er naderden een man en een vrouw, die er dezelfde hobby op na hielden als de man naast mij.

'Kom op Karel,' riep de man in het voorbijgaan naar de uitgebluste hardloper naast mij.

Ons kent ons in het wereldje van de joggers en het Vondelpark is nu eenmaal een geliefd trefpunt voor gezondheidsfanaten.

'Ja ja, het is goed met je,' riep de man tegen de ruggen van het inmiddels gepasseerde duo.

Hij rekte zich uit en veegde met zijn hand het zweet van zijn voorhoofd.

'Effe bijkomen hoor,' zei hij tegen mij. 'Ik heb er al zo'n vijf kilometer opzitten.'

'Dat is uw eigen keuze, neem ik aan.'

'Elke dag een rondje door het Vondelpark. Je knapt er zo lekker van op.'

Die indruk kreeg ik nou niet bepaald, maar ik wist uiteraard niet hoe hij zich voelde vóórdat hij begon te lopen.

'Ik heb de tijd aan mezelf, niemand die op me wacht.'

'Lekker doen waar je zin in hebt,' antwoordde ik.

'Ja, gelukkig wel. Nou, dat zag er een maand geleden nog heel anders uit hoor.'

'O ja?' zei ik.

'Ben blij dat ik van d'r af ben.'

Ik had geen idee wie er met "d'r" werd bedoeld, maar ik had zo'n vermoeden dat de ontknoping weldra zou volgen.

Hij zuchtte en steunde nog een paar keer, maar hij leek zichzelf heel langzaam terug gevonden te hebben. Om dat te bewijzen stond hij op, voerde een paar gymnastische oefeningen uit, die op mij vrij ingewikkeld overkwamen en ging vervolgens weer naast me zitten.

'Tjongejonge, als ik dáár nog aan terugdenk.'

Nu ben ik nooit goed geweest in het oplossen van cryptogrammen en derhalve besloot ik het zwijgen er maar toe te doen. Bovendien leek mij de zaak nogal gevoelig te liggen, waarbij vragen van mijn kant al gauw als impertinent uitgelegd zouden kunnen worden. Want dat is het met mij: juist bij intiemere aangelegenheden word ik bloednieuwsgierig en wil dan het naadje van de kous weten. Ik weet, het is niet netjes, maar ik heb nu eenmaal een niet te stillen hang naar sensatie. Ik kan er niets aan doen.

'Ben je weleens in de Eifel geweest?' vroeg de man, die dus luisterde naar de naam Karel. Hij wachtte het antwoord niet af, maar ging onverdroten verder.

'Nou, ik dus wel. Ik dacht bij mezelf: Kom op Karel, kietel jezelf eens, ga er een paar dagen tussenuit. Ik een reisje naar de Eifel geboekt. Paar dagen maar hoor, maar net genoeg om effe lekker op adem te komen. Leuk hotelletje, lekker eten. Niet overdadig en geen vijf sterren, maar genoeg en smakelijk. Nu was er bij dat hotelletje een leuk terrasje. Ik zit heerlijk in het zonnetje, komt er opeens een aardig vrouwtje naast me zitten.'

Karel leek een voorliefde voor verkleinwoordjes te hebben, maar een kniesoor die daar oplette.

'Zag er lief uit, mijn leeftijd ongeveer, goed verzorgd, beetje mollig, maar daar hou ik wel van. Ze logeerde ook een paar dagen in het hotel, samen met een vriendin. Moet kunnen, ja toch?'

'Ja,' antwoordde ik, 'waarom niet hè?'

'Afijn, we komen wat met elkaar in gesprek en ze zei me dat ze Betty heette. Ze was gescheiden en genoot eigenlijk wel van het alleen zijn. Nou, ik heb daar ook geen moeite mee, dus we begrepen elkaar wel. Maar goed, lang verhaal kort. We dronken een paar keer een kopje koffie samen, ook nog een glaasje wijn, en we voelden ons toch wel enigszins tot elkaar aangetrokken. Dat kan toch hè?'

'Zelfs in de Eifel,' zei ik.

'Ja,' lachte hij, 'zelfs dáár.

"Mag ik je eens bellen als ik weer thuis ben?" vraagt ze op de dag dat ze weer naar huis ging.

Ik zeg: "Ja hoor, je belt maar." Wat denk je?'

'Geen idee,' antwoordde ik.

'Ik was twee dagen thuis, ging de telefoon: Ja hoor … Betty. Ze vroeg of ik zin had om eens langs te komen voor een kopje koffie. Nou, daar had ik wel oren naar. Ik met de tram naar Amsterdam West. Kwartiertje trammen. Ze had een hartstikke leuke eengezinswoning. Tuintje voor, tuintje achter en dat is toch heel wat voor Amsterdamse begrippen. Ja toch?

"Kom binnen," zegt ze. Afijn, ik naar binnen. In de woonkamer zit een oudere dame, die mij nogal kritisch bekeek. "Dat is mijn moeder," zegt Betty. Ik geef die vrouw een hand en zij stelt zich voor als Coby.

"Iedereen noemt me Co," zegt ze.

Nou vooruit dan maar dacht ik, Co, kan mij het schelen, ik ben niet zo moeilijk. Ja toch?

"Mijn moeder wil ook graag even met je kennismaken," zegt Betty.

Nou vond ik dat al wat vreemd. Je komt voor de eerste keer bij iemand op bezoek en dan zit daar meteen je moeder pontificaal in het midden van de kamer. Maar afijn, wie ben ik om daar iets van te zeggen.

"Ik wil graag weten met wie mijn dochter omgaat," zegt ze opeens, terwijl ze mij van top tot teen bekijkt.

"Nou," zeg ik, uw dochter is de vijftig al dik gepasseerd."

"Wat wilt u daarmee zeggen?" antwoordt ze op een toon, die bij mij onmiddellijk m'n nekharen overeind deden staan.

"Nou, daar wil ik mee zeggen dat ze misschien wel heel goed op zichzelf kan passen."

"Ik ga even een kopje koffie voor ons zetten," zegt Betty en verdwijnt in de keuken.

Zit ik opeens met dat mens alleen in de kamer.

"Ik houd graag een oogje in het zeil." zegt ze. "Betty is een hele kwetsbare vrouw."

Ja, dacht ik bij mezelf, ik dank je de koekoek met zo'n moeder. Maar goed, Betty komt met de koffie, we drinken een bakkie, babbelen wat en na een uurtje ga ik weer. De volgende dag belt ze op en verontschuldigt zich min of meer voor haar moeder, die eigenlijk alleen maar overbezorgd is en het niet zo kwaad bedoelt. Of ik zin had in de loop van volgende week weer eens langs te komen. Waarom niet, dacht ik. Afijn, ik weer met de tram naar West. Zit verdorie die moeder daar weer. Ik kreeg meteen zwaar de pest in. Maar ja, ik was te gast, dus ik denk: Ik zeg mooi niks. Dat mens bemoeide zich nou ook echt overal mee en had voortdurend het hoogste woord. D'r snavel stond niet stil en alles op zo'n snibbige toon. Niks deugde, alleen maar een hoop geklaag en gekerm. Ze deed ook heel kleinerend naar haar dochter en op een gegeven moment ook naar mij. Ik denk: Je gaat je gang maar, ik ben met een half uurtje weer weg en dan heb ik er geen last meer van. Wat een loeder zeg, wat een tang. Haar op de tanden van hier tot Tokio. Wat heet háár, hele bossen. Toen ik een paar keer op visite was geweest en elke keer dat reptiel er gratis bij kreeg, had ik er schoon genoeg van. Het leek wel een soort Siamese tweeling die uit mekaar geopereerd was, maar die toch niet buiten elkaar konden.

Dus, ik nodig Betty bij mij thuis uit. Dat leek haar hartstikke leuk. Afijn, op een woensdagmiddag, het kwam met bakken uit de lucht, staat ze voor de deur. Ik merkte dat ik argwanend om me heen keek of haar moeder niet ergens uit een stiekem hoekje tevoorschijn zou springen, maar nee, ze was alleen. Ze had haar moeder wel gezegd waar ze heen ging, dat wilde moeder altijd graag weten. Ik dacht: Wat heb ik nou aan m'n fiets hangen. Moet jij, als vrouw van dik in de vijftig nog verantwoording afleggen aan je moeder?

"Dat is niet gezond hoor," zeg ik tegen haar.

"Ach," zei ze, "moeder bedoelt het niet kwaad, ze is gewoon bezorgd."

Ergens gingen toch een paar alarmbellen rinkelen. Tref ik dus een aardig vrouwtje, krijg ik er een moeder bij. Nou, daar had ik eerlijk gezegd niet zoveel zin in. Afijn, we babbelen een beetje over koetjes en kalfjes, gaat opeens de deurbel. Ik doe open en wie denk je staat er voor de deur?'

Ik kon het wel raden.

'Juist ja, de nachtmerrie in eigen persoon. Voordat ze d'r grote waffel open kon trekken, zeg ik: "Wat sta je daar nou in de stromende regen Co. Je wordt zeiknat. Ga maar gauw naar huis." Daarop heb ik de deur voor d'r snufferd dichtgegooid en een papiertje tussen de bel gedaan. Ik heb Co nooit meer gezien. Betty trouwens ook niet. Daar zal haar moeder wel debet aan zijn geweest. Wat zo'n verfrissende regenbui al niet kan doen. Héérlijk!'

Hij boog en strekte zijn armen en benen een paar keer en stond vervolgens op.

'Ik ga maar weer eens een stukje hardlopen. Spieren soepel houden, anders verzuurt de boel.'

Een paar minuten later zag ik hem aan de overkant van het water rennen. Aardige man. Hij leek me de ideale schoonzoon voor een leuke schoonmoeder.

 

© Carl Slotboom / februari 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl