Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Een teer poppetje

EEN TEER POPPETJE


EEN TEER POPPETJE

 

Op mijn bankje in het Vondelpark deed ik mij te goed aan de zon, die de mensheid welwillend gezind was op deze najaarsdag. Natuurlijk is het niet mijn bankje, dat begrijpt u ook wel. Nee hoor, het is gewoon een bankje dat door de gemeente Amsterdam daar geplaatst is en die ook de eigenaar van het object is. Maar ook mij is een zekere mate aan hebberigheid niet vreemd en daarom: mijn bankje. We hebben het ook over mijn straat, mijn dorp, mijn stad. Ja, we eigenen ons wat toe in het leven. En wanneer we het hebben over hele dorpen en steden, dan kan een bankje geen kwaad. Daar zal niemand over vallen.

Het gras en de paden lagen bezaaid met bladeren, die als een bonte kleurenpracht ons mensen er telkens weer aan herinnert hoe vergankelijk alles is.

In de verte naderde een oudere, corpulente dame. Ze droeg een boodschappentas en had een ietwat schommelende gang. Bij elke stap helde ze dan weer naar links, dan weer naar rechts, maar vond tussendoor telkens weer haar evenwicht. Bij mijn bankje aangekomen stopte ze. Ze slaakte een diepe, vermoeide zucht en vroeg:

'Mag ik bij u komen zitten?'

Ook als eigenaar van een bankje moet je niet lullig doen en zo sportief zijn om ook anderen te laten genieten van je eigendommen.

'Gaat u gang,' zei ik daarom ruimhartig, terwijl ik een stukje opschoof.

Ze zette eerst de boodschappentas naast mij neer, pakte vervolgens een zakdoek uit haar jaszak en veegde daarmee langs haar voorhoofd. Ze slaakte nogmaals een diepe zucht en ging zitten.

'Hè hè, Bep zit,' zei ze, terwijl ze weer met de zakdoek over haar voorhoofd poetste.

'Daar was u wel aan toe als ik u zo hoor.'

'Mijn zuster zit bij de dokter,' antwoordde ze 'en als ze klaar is, komt ze hier naartoe. Ze weet precies waar ik zit, want dit is ons bankje.'

Ons bankje? Die kwam binnen. Mijn bankje was zonder dat ik daarvan op de hoogte was gebracht tevens andermans eigendom? Het moest toch niet gekker worden. Even stond ik op het punt om te zeggen: mevrouw, u vergist zich, dit is mijn bankje en dat u hier mag zitten heeft u te danken aan het feit dat ik zo'n menslievend persoon ben.

Ik weet, het zou belachelijk zijn indien ik dit had gezegd; ik zei het dus niet. Maar ergens stak het wel dat de vrouw het over háár bankje had. Even overwoog ik om mij dan maar een ander bankje toe te eigenen, er stonden er genoeg. Bij  nader inzien was mij dit toch een brug te ver. Ik was net zo lekker gewend aan dit bankje en ik verbeelde mij zelfs dat het de vormen van mijn lichaam had aangenomen, zoals een gemakkelijke stoel waar je al jaren in zit. Nee, mevrouw mocht wel even blijven zitten, besloot ik, maar het bleef míjn bankje.

'Niets bijzonders, hoor,' zei ze.

'Niets bijzonders?' vroeg ik, nog steeds met mijn gedachten bij mijn en dijn.

'Ze zit om de haverklap bij een dokter.'

'O, uw zuster,' zei ik.

'Dan weer dit, dan weer dat. Ze mankeert altijd van alles, maar uiteindelijk heeft ze nooit wat. Ze hebben al liters bloed bij haar afgenomen, haar binnenstebuiten gekeerd, maar ze heeft gewoon helemaal niks. Die doktoren worden zo langzamerhand helemaal knetterkrankjorum van dat mens.'

'En wat zijn op dit moment de klachten,' vroeg ik, alsof ik daar notitie van wilde maken en dat thuis in een of andere geheimzinnige map op wilde bergen, om het later nog eens rustig uit te werken.

'Ze is al een paar dagen zo licht in haar hoofd.'

'Kan heel vervelend zijn,' vond ik.

'Ach, meneer, het is steeds wat anders, ik luister al helemaal niet meer. Dan heeft ze weer zware benen, dan weer van die rare draaiogen, dan weer overal pijn. Je kunt het zo gek niet bedenken, of mijn zuster heeft het. Wordt er een nieuwe ziekte uitgevonden, dan kunnen we er op wachten hoor, mijn zuster is als eerste aan de beurt. Zou u dat allemaal nog serieus nemen? Nou, ik niet, hoor.'

'Ik zou er ook moeite mee hebben,' viel ik haar bij.

Er kwamen een man en een vrouw voorbij. Ze droegen joggingpakken en hadden de vaart er goed in.

'Misschien zou ze dat eens moeten doen,' zei mijn buurvrouw. 'Zo af en toe eens lekker door het Vondelpark rennen.'

'Als ik die koppen van die rennende mensen soms bekijk, lijkt het mij geen al te gezonde bezigheid,' antwoordde ik.

'Weet u, ik heb onze moeder op haar sterfbed beloofd dat ik een oogje op mijn zuster zou houden, als moeder er niet meer zou zijn. "Onze Toos, is een teer poppetje," zei moeder. "Wil jij een beetje op haar passen?" En laten we eerlijk zijn, belofte maakt schuld, ja toch?'

'Misschien is uw zuster wel wat hypochondrisch,' diagnosticeerde ik in het wilde weg.

'Een aansteller is het!' Ze zei het op zo'n toon dat het mij niet zinnig leek hier tegenin te gaan.

'Haar man is niet voor niets bij haar weggelopen. Die man werd stapelgek van dat gezeur. En hij moest ook steeds mee naar allerlei doktoren, want ze durfde niet alleen. Die arme man was meer met háár onderweg dan dat 'ie op z'n werk verscheen. Op een regenachtige zondagmiddag heeft 'ie z'n koffers gepakt, ergens een somber zolderkamertje gehuurd, opgebeld en gezegd dat 'ie niet meer terugkwam. Kunt u dat begrijpen?'

'Ja,' zei ik, 'dat kan ik wel begrijpen. Misschien is die man op dat kamertje wel veel gelukkiger.'

'Zou zo maar kunnen,' antwoordde Bep.

Ik kreeg ter plekke medelijden met de geplaagde echtgenoot.

'Nou, en toen die weg was, was ik dus de klos. Tel uit je winst. Mijn man zegt altijd: "Bep, jij bent veel te goed voor deze wereld." Maar wat moet ik? Moet ik haar dan maar aan laten modderen?'

'Het is en blijft uw zuster, hè?'

'En ik heb het beloofd, ja toch? Ik hoor het moeder nog zeggen: "Onze Toos is een teer poppetje."'

'En nu bent u weer zo goed geweest om met haar naar de dokter te gaan.'

'Ja, niet mee naar binnen hoor. Ja, dat wil ze wel, maar ik heb gezegd: "Kom op zeg, je gaat maar alleen, je bent een grote meid en ik ben je oppasmoeder niet." Nou ja, dat heeft ze dus geaccepteerd.'

Ze rommelde in haar boodschappentas en haalde er een rol pepermunt uit. Ze scheurde het papier open en hield mij de rol voor.

'Wilt u een pepermuntje?'

Als mensen mij een rolletje pepermunt voorhouden word ik altijd wat zenuwachtig en vraag ik me af of ik misschien uit m'n mond stink.

'Ja, graag,' zei ik, het zekere voor het onzekere nemende.

'Mijn zuster eet geen pepermunt, daar wordt ze misselijk van, zegt ze.'

'U heeft wel wat te stellen met haar,' zei ik. 'Ik heb bewondering voor u.'

Het sloeg helemaal nergens op. Ik kende haar zuster niet eens en ik hoorde het verhaal maar van één kant.

'O, daar komt ze aan,' zei mijn gesprekspartner en wees met haar kin naar de vrouw die in onze richting kwam. 'Daar hebben we Toos.'

In de verte naderde een vrouw, die er zo op het eerste gezicht niet bepaald als een teer poppetje uitzag. Met zo'n slordige schoenmaat vijfenveertig stapte ze kordaat in onze richting. Naarmate ze dichterbij kwam, nam ze in omvang toe. Ze was minstens een kop groter dan ik. Ze had een bijna vierkant hoofd, met daarbovenop een gemillimeterd kapsel en daaronder een kinnebak als een ouderwetse kolenkit. De omvang van haar schouders deed vermoeden dat ze dagelijks urenlang in de weer was met gewichten en het stoten van kogels. Haar handen hadden de omvang van een paar stevige bankschroeven, waar je je, als je daar eenmaal tussen verzeild was geraakt, slechts met grof geweld uit zou kunnen bevrijden. Haar achterwerk deed me denken aan een opslagruimte voor klein meubilair.

'Goedemiddag,' zei ze met een stem alsof er een kanon afging. Het dreunde door m'n hoofd en ik zat te suizebollen.

'Ga zitten, Toos,' zei haar zuster.

'Toos ging zitten en ik veerde enkele centimeters omhoog. Ik moest me vastgrijpen aan de zijkant van de bank teneinde er niet af te tuimelen.

'Wat zei de dokter?' wilde Bep weten.

'Hij heeft me heel erg lang onderzocht,' zei Toos.

Dat verbaasde mij allerminst. Een mens met een dergelijke omvang onderzoeken vergt nu eenmaal tijd.

'Ja,' zei Bep, 'maar wat mankeer je?'

'Hij kon zo snel niets vinden.'

'Nou, lekker dan,' vond haar zuster. 'Maar je bent toch licht in je hoofd?'

'Stress,' zei die.

'Ja, als ze het niet weten is het stress. Wat schiet je daar nou mee op?'

'Ik moet bloed af laten nemen,' zei Toos.

'Ach mens, hou toch op, je hebt al bijna geen bloed meer in je lijf. Weet je wat meneer hier zegt?'

'Nee,' zei Toos.

'Meneer hier zegt dat je een hypochonder bent.'

'Pardon?!' zei ik.

'Ja, dat heeft u gezegd,' zei Bep.

'Nee,' verdedigde ik mezelf, 'dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat …'

'Wat krijgen we nou?' sneerde Bep. 'Dat heb je wél!'

'Nee,' begon ik maar weer eens. 'Ik heb gezegd dat uw zuster …'

'Een hypochonder is,' vulde ze aan. 'Je moet niet tegen me jokken, want daar hou ik helemáál niet van.'

'Nou ja,' zei ik, maar het klonk niet echt overtuigend.

Toos hees zich omhoog en ging groot, breed, maar vooral dreigend voor me staan. Het was alsof ik tegen de Eiffeltoren opkeek.

'Heb jij dat gezegd, druiloor?' toeterde ze door het Vondelpark.

'Dit berust op een misverstand,' zei ik.

'En je zei dat je ook heel goed kon begrijpen dat Willem bij haar weggegaan was,' zei Bep weer.

'Wie is Willem?' vroeg ik.

'Haar man,' zei Bep. 'Je zei dat je heel goed kon begrijpen dat Willem de benen had genomen en dat hij nu veel gelukkiger is op dat zolderkamertje.'

'Dat is niet waar, dat heb ik helemaal niet gezegd,' verweerde ik mezelf.

'Leugenaar!' beet Bep me toe. 'Vuile smerige leugenaar!'

'Jij durft,' zei Toos, terwijl ze een stapje naar voren deed en met haar knieën tegen de mijne aankwam. 'Hoe weet jij nou dat Willem gelukkig is op dat zolderkamertje? Je kent Willem niet eens.'

'Nee,' antwoordde ik, 'ik ken Willem niet en daarom heb ik …'

'Dan begrijp ik niet waarom jij zulke uitspraken doet,' roeptoeterde Toos in mijn gezicht.

'Ik dacht dat je een heer was,' zei Bep en keek mij minachtend aan.

'Dat ben ik ook … ik eh … ik bedoel …'

'Kijk 'm zitten,' zei Toos, terwijl ze een stap terugdeed en mij van top tot teen bekeek. 'Lord Wanhoop.'

'Meneer stelt hier diagnoses alsof het allemaal maar niks is,' vond Bep.

'Maar ik heb helemaal …' zei ik, mijn stem verheffend.

'We gaan hier toch niet zitten schreeuwen, hè?' zei Toos, terwijl ze nu weer een stap naar voren deed. Voordat ik het goed en wel besefte trok ze me overeind en zat ik met mijn overhemd gevangen tussen een van haar bankschroeven. Haar gezicht was vlakbij het mijne en ik constateerde dat zij ook wel een pepermuntje zou kunnen gebruiken.

'Hier een beetje de internist uit gaan zitten hangen,' zei Toos.

'Hij zei ook nog dat ik heel wat met je te stellen heb. Hoe vind je zoiets. Het idéé alleen al.'

'Wat ben jij een min kereltje,' deed Toos maar weer eens een duit in het zakje.

'Slome duikelaar!' zei Bep.

Ik wilde weer wat zeggen, maar ik kreeg geen enkele gelegenheid.

'Mijn zuster is een zwakke, zieke vrouw en jij moet je diep schamen dat je zo over haar praat.'

'Ja, maar ik heb toch …'

'Ja, jij hebt ja, dat is me inmiddels duidelijk,' zei Toos. 'Maar jij hebt helemaal niet te hebben.'

'Nee,' vulde Bep haar zuster aan, 'jij hebt gewoon je vervelende mond te houden en je niet met andere mensen te bemoeien.'

'Laten we maar gaan,' zei Toos, 'voordat ik 'm tegen de vlakte sla.'

'Nee, Toos,' riep Bep, 'maak je niet ongelukkig. Kom op, wij gaan.'

Daarop liet Toos mij los en gaf mij een zet zodat ik met een klap met mijn achterwerk op de bank terecht kwam.

'En laat ik je hier nooit meer zien, vriend,' zei ze. 'Dit bankje is van ons.'

Daarop draaiden de beide dames zich om en liepen in de richting van de uitgang. Ik denk dat ik maar op zoek ga naar een ander bankje. Er staan er tenslotte genoeg.

 

© Carl Slotboom / november 2021

www.carlslotboom.nl