Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Een muzikaal genie

EEN MUZIKAAL GENIE


EEN MUZIKAAL GENIE

Het stond als een paal boven water, geen twijfel mogelijk. Mama en papa Wemelaar hadden een muzikaal genie ter wereld gebracht. Dat bleek al in de wieg. Terwijl elke baby, waar ook ter wereld, recht-toe-recht-aan huilde, hoorde mama bij Herman, door haar liefdevol Hermpje genoemd, al direct zijn muzikale inslag. De gewone dagelijkse huilbuien onder de noemer van 'ik heb toch even niets te doen, laat ik eens een potje janken' hadden de zoete klank van een nocturne van Chopin. Lichtvoetig en sprankelend, terwijl zijn huilbui bij het hebben van een natte luier toch al heel snel deed denken aan 'zachtjes tikt de regen op mijn zolderraam'. Had Hermpje daarentegen zijn broek vol gescheten, kreeg zijn huilen opeens een dramatische klank, Wagneriaans bijna, waarbij men de Walküren waarlijk om de wieg heen zag dansen. Ja, het kon niet anders of Hermpje zou ooit de wereld versteld doen staan van zijn muzikale genialiteit.

Toen hij twee jaar oud was begon hij opeens overal op te timmeren. De meubels, het aanrecht, de televisie en alles waar hij met zijn korte lijfje maar bij kon komen. Mama Wemelaar wist het zeker; zoonlief timmerde niet zomaar wat, nee, hij timmerde de Bolero van Ravel.

'Hoor nou toch eens,' zei ze tegen papa Wemelaar, terwijl ze glom van trots om de verrichtingen van haar spruit.

'Ik hoor het,' zei papa, die vreesde dat de televisie onder het getimmer van zijn wonderkind elk moment de geest zou kunnen geven.

'Hij moet een instrument leren bespelen,' vond mama.

'Dat kan nog wel even wachten,' zei papa, die de muzikaliteit van zijn zoon ernstig in twijfel trok.

'Bij de HEMA heb ik neusfluiten zien liggen,' zei mama, 'daar ga ik er een van kopen.'

De volgende dag werd de neusfluit aangeschaft.

'Tegen je neus aanhouden en door je neus blazen,' zei mama. Hermpje, die niet helemaal begreep wat de bedoeling was, zette het instrument tegen zijn neus en snoot alsof er een groene, glibberige snottebel in de weg zat. Het slijm vloog alle kanten op. Geen probleem, vond mama, die met schoonmaakdoekjes in de weer ging en de glibberige substantie met vaardige hand verwijderde van meubels en vaste vloerbedekking.

'We proberen het gewoon nog een keer.'

Na een aantal keren had Hermpje het min of meer onder de knie. Het bleef echter een snotterige aangelegenheid, maar dat mocht de pret niet drukken en het kereltje floot neus alsof zijn leven er vanaf hing.

Toen papa op een avond thuiskwam en uitgleed over een groene, glimmende laag en daarbij lelijk op zijn achterhoofd terecht kwam, vond hij het welletjes. Hij pakte de fluit, ging ermee naar buiten, legde deze op het tegelpad en sprong er met beide voeten tegelijk bovenop. Dag fluit. Het gejank van het kind was niet van de lucht. Met lange, gierende uithalen maakte hij zijn ongenoegen kenbaar. Terwijl de buurt zich verbaasde dat de sirenes zomaar midden in de maand begonnen te loeien, hoorde mama in het gejank van haar zoontje toch werkelijk iets van een gevoelige serenade.

Hermpje was geen kind dat snel bij de pakken neerzat. Uit de binnenzak van papa's colbertje pakte hij diens kam, deed hier een vloeitje omheen en produceerde de hele dag geluid. Papa, die geen idee had wat voor soort instrument zoonlief nu weer onderhanden had, zocht zich drie dagen lang een ongeluk naar zijn kam. Toen op een middag de jonge muzikant het nieuwe instrument aan zijn mond zette en wilde beginnen aan het andante uit 'Eine kleine Nachtmusik' van Mozart, kwam papa de kamer binnen. Daar was dus zijn kam! Met zijn linkerhand rukte hij zijn eigendom uit de handen van zijn zoon, terwijl hij hem met zijn rechterhand zo'n draai om zijn oren gaf, dat de jongen stond te suizebollen en opeens drie symfonieën door elkaar hoorde.

Toen Hermpje zeven jaar oud was, gaf hij te kennen trompet te willen spelen.

Op een zonnige woensdagmiddag stapten mama en haar Hermpje in de bus naar de stad. Een half uurtje later betraden ze de trappen van het statige gebouw waarin de muziekschool was gevestigd.

'Trompet?' vroeg de directeur, die er zo onverzorgd en smoezelig uitzag dat mama het zeker wist: deze man was de reïncarnatie van Ludwig van Beethoven.

Voor de zekerheid draaide ze de knop van haar stemvolume een paar tandjes hoger, maar na een afwerend gebaar van de man tegenover haar, moest ze concluderen dat bij reïncarnatie niet alle lichamelijke klachten en kwalen werden mee geïncarneerd.

Ze had er in ieder geval goed aangedaan hier naartoe te komen. Hier zou zoonlief helemaal op zijn plaats zijn. Hier zou hij zijn talenten naar grote hoogte kunnen stuwen.

'Trompet?' informeerde de directeur nog maar eens.

'Hermpje wil het,' antwoordde mama Wemelaar.

'De hele dag getoeter aan uw hoofd gaat op den duur stierlijk vervelen,' zei de directeur, die uit ervaring sprak en 's ochtends als hij de school betrad zijn oren volstopte met Ohropax.

'Bovendien,' zo ging hij verder, 'begint elke muziekstudent op deze school met het bespelen van de blokfluit. Blokfluit is goed voor de muzikale ontwikkeling.'

'Mijn zoon speelt uitstekend fluit,' zei mama.

Hier veerde de directeur even op. Kijk aan, de jongeman had al de nodige muzikale vorming.

'Neusfluit,' zei mama, terwijl de directeur weer terugzakte in zijn ongeïnteresseerde houding.

'Helaas is mijn man er per ongeluk bovenop gaan staan,' loog ze er met volle overtuiging op los.

Toen mama en Hermpje even later op de stoep van de muziektempel stonden, was zoonlief de trotse eigenaar van een heuse blokfluit. Weliswaar in bruikleen, maar dat weerhield de jongen er niet van het instrument onmiddellijk aan zijn mond te zetten en er vrolijk op los te snerpen. Ergens onderweg naar huis ging een deur open en vroeg een mevrouw of de jongeman misschien even in de kelder een stukje wilde komen fluiten, aangezien ze last had van ratten. Ze zag hem kennelijk voor iemand anders aan.

Was papa Wemelaar al knettergek geworden van de neusfluit, het gefluit op de blok ging hem helemaal door merg en been en vergde het uiterste van zijn toch al zwakke zenuwstelsel. Maar papa zou papa niet zijn wanneer hij de oplossing niet binnen handbereik had. In een onbewaakt ogenblik schroefde hij de fluit uit elkaar en stopte in het holle gedeelte een oude zakdoek. Hermpje blies zich de longen uit zijn lijf, maar geluid kwam er niet meer uit.

'Heerlijk,' zei papa, 'wat een rust,' en schonk zichzelf nog maar eens een pilsje in.

De blokfluitmeester peuterde de zakdoek uit de fluit en verbood papa op een dergelijke manier met de instrumenten van de muziekschool om te gaan. Vanaf dat moment dronk papa zijn pilsje in de kroeg en keerde hij pas huiswaarts nadat de blokfluiter in bed lag en het weer rustig was in huize Wemelaar.

Na de blokfluit ging de lang gekoesterde wens van Hermpje in vervulling en verraste mama hem op zijn veertiende verjaardag met een pracht van een trompet. Papa die het allemaal niet meer aankon was er inmiddels met zijn secretaresse vandoor gegaan. Van te voren had hij zich er wel van overtuigd dat ze geen instrument bespeelde.

Even raakte hij in paniek toen ze hem vertelde dat ze uitstekend met de fluit overweg kon, maar dat bedoelde ze anders dan papa in eerste instantie had gedacht. Het lag aan papa; hij was in de loop der jaren allergisch geworden voor alles wat fluit was.

Hermpje maakte al snel vorderingen en toeterde er naar hartenlust op los. In het dorp waar het zebrapad al een bezienswaardigheid was, ging het al snel als een lopend vuurtje rond: dorpsgenoot Herman Wemelaar speelde niet onverdienstelijk trompet. Ook de meisjes begonnen opeens aandacht voor hem te krijgen en de leraren op school behandelden hem met ontzag. Als hij door het dorp liep werd hij nagekeken, zoals men in dierentuinen naar allerlei exoten kijkt.

Joost mag weten wat de goede man in het nest te zoeken had, maar Zijne Majesteit de Koning had plotseling het voornemen het dorp met een bezoek te vereren. Die kwam binnen. Iedereen was in rep en roer. De dorpsraad kwam in spoedzitting bijeen, er werden comités in het leven geroepen en de een voelde zich opeens nog belangrijker dan de ander. Dit moest groots worden aangepakt. Men was het er al heel snel over eens: bij dit evenement hoorde een mopje muziek en wie kon daar beter voor zorgen dan de dorpse wonderpuber Herman Wemelaar. Als de koning uit zijn auto zou stappen, zou Herman een kort, maar krachtig trompetgeschal laten horen. Daarna zou de koning via de rode loper de plaatselijke kroeg betreden. Dit bij gebrek aan beter, aangezien de financiën nooit toereikend waren geweest voor een dorpshuis.

Mama was onmiddellijk in alle staten. Dit was de kroon op haar werk. Jarenlang had ze geïnvesteerd in de muzikale talenten van haar Hermpje en had altijd geloofd dat hij ooit de wereld versteld zou doen staan met zijn muzikale genialiteit. Spelen voor Zijne Majesteit, het hoogst haalbare. Ze zou doordringen tot in de hoogste adellijke kringen. Men kon niet meer om haar heen. Dit was haar beloning voor alle moeite die ze zich al die jaren had getroost.

Ze kroop achter de naaimachine en naaide in slechts een paar dagen een heus herautenpak in alle kleuren van de regenboog, inclusief muts met veer. Intussen oefende de uitverkorene zich een slag in de rondte. Het was tenslotte niet niks: toeteren voor de koning. Hij zou hem wel eens even een poepje laten ruiken.

De grote dag brak aan. Mama hees haar Hermpje in zijn herautenpak en zette hem de muts met veer op zijn hoofd. Hij zag eruit als een ongeschminkte knecht van Sinterklaas. De dorpsoudste haalde hem persoonlijk met zijn auto af. Een muzikant van een dergelijk kaliber laat je niet te voet gaan, die moet je met egards behandelen. Ook mama nam plaats achterin de wagen. Op het dorpsplein had het hele dorp zich verzameld en mama zwaaide minzaam naar de menigte. Nu het grote moment aanstaande was begonnen de zenuwen parten te spelen. 'Zenuwen horen er nu eenmaal bij,' zei mama, terwijl ze de muts fatsoeneerde die door het in- en uitstappen inmiddels op half zeven hing.

'Elk groot musicus heeft daar last van,' probeerde ze haar Hermpje op te peppen. Deze echter begon steeds harder te trillen en tot overmaat van ramp leken zijn vingers nu ook gevoelloos te worden. Door iemand van het comité werd hij naar zijn plaats gedirigeerd. Weliswaar naast de rode loper, want verschil moet er zijn, ook al ben je een begaafd musicus.

Mama stond bij hem in de buurt en hield een ware peptalk om zoonlief te stimuleren en te motiveren. Deze werd door het gekakel van mama alleen maar nerveuzer. In de verte kwam de auto met daarin de koning. Langzaam reed het voertuig in de richting van de dorpskroeg. Bij de rode loper aangekomen, stopte de limousine. Het portier werd geopend en een been werd naar buiten geslingerd; een koninklijk been. Dit was voor Herman het teken. Hij bracht de trompet naar zijn mond en verbaasde zich erover dat het instrument opeens loodzwaar was. Niet te tillen bijna. De koning stapte uit, iedereen was doodstil en Herman zette aan en blies. 'Piep' hoorde men aan de voorkant uit de trompet komen. Herman blies nogmaals, maar toen liet zelfs de piep het afweten.

'Prachtig,' zei de koning, terwijl hij Herman op zijn schouder klopte. 'U speelt zeker al heel erg lang trompet.'

Daarna verdween hij met zijn gevolg in de ingewanden van de dorpskroeg. Mama voegde zich met verve tussen de hotemetoten, alsof ze dagelijks door de hoogste adel werd omgeven en verdween eveneens in de kroeg.

Het laatste wat er van Herman Wemelaar werd vernomen, was dat hij in de Sahara op zijn trompet zat te spelen, onder de afkeurende blikken van een kudde kamelen, die uiteindelijk galopperend op de vlucht sloeg.

 

© Carl Slotboom / november 2021

www.carlslotboom.nl