Home » Verhalen met een glimlach » Een echte fan

EEN ECHTE FAN


EEN ECHTE FAN

 

Fietsende, op weg naar de bakker, zag ik in mijn ooghoeken een vrouw op het trottoir staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: 'Ik geniet altijd van uw zondagverhalen op Facebook. Ik ben een echte fan van u.'

Het schrijven van verhalen is een leuk tijdverdrijf. Als anderen dan van mijn verzinsels, want meer zijn het niet, genieten, geeft dat toch een voldaan gevoel. Nu heb je fans en je hebt fans. Deze dame bestempelde zich niet alleen als een fan, maar kwalificeerde zich zelfs als 'échte' fan. Een fan in de vergrotende trap dus. Wat wil een auteur nog meer?

Fans moet je koesteren vind ik, zonder fans kun je net zo goed stoppen met schrijven. Het leek mij dan ook niet meer dan logisch dat ik even afstapte en mijzelf voor zou stellen. Nu is het opstappen, maar zeker het afstappen, als je 72 jaar bent en twee versleten knieën hebt, een procedure die behendigheid en tijd vergt. Over het eerste beschik ik in mindere mate, van het tweede heb ik meer dan genoeg. Toen ik dan ook eenmaal afgestapt was, om mijn nieuwe fan, zo stelde ik mij voor, hartelijk aan mijn boezem te drukken, was zij in geen velden of wegen meer te bekennen. Wat mogelijk een warme vriendschap had kunnen worden, was onmiddellijk na het ontluiken al in de kiem gesmoord. Dag fan.

'Weet je dat ik een fan heb?' zei ik tegen mijn vrouw, terwijl ik, teruggekomen van de bakker, het brood en de mueslibollen op het aanrecht legde. 'En niet zomaar een fan, nee, een échte.'

'Bofkont,' antwoordde ze.

Ik vertelde haar wat mij was overkomen.

'Je hebt die vrouw dus niet gesproken?'

'Het was een zeer snelle fan en al verdwenen voordat ik van de fiets was gestapt.'

'Daar hoef je niet zo snel voor te zijn,' antwoordde ze, aangevend in welk tempo ik een dergelijke handeling verricht.

'Nou ja, misschien zie ik haar vandaag of morgen nog een keer,' zei ik, niet wetende dat ik met deze uitspraak de goden verzocht had. Weet alles maar eens van te voren.

Nog diezelfde middag zag ik haar, vanuit mijn werkkamer op de eerste verdieping, door de straat lopen. Een mooie gelegenheid om haar even aan te spreken. Voordat ik echter buiten stond was zij alweer in het niets opgelost. Nu mocht ik mij eindelijk de gelukkige eigenaar van een heuse fan noemen, bleek zij mij telkens te snel af te zijn.

De volgende dag, ik zat weer in mijn werkkamer en keek heel toevallig uit het raam, zag ik haar weer lopen en opeens kreeg ik een wat vreemd, onbestemd gevoel. Twee keer had ik haar inmiddels in de straat gezien waar ik woon. Toeval? Ik besloot het in de gaten te houden. Je hoort vreemde dingen van fans en ze kunnen behoorlijk lastig zijn. De dag daarop liet ik de lamellen zakken en tussen de gleuven door hield ik de straat in het oog. Mijn inspanning werd beloond. Daar liep ze weer. Ze had een tas om haar nek en ik zag dat ze, toen ze ons huis passeerde, naar binnen keek. Foute boel, constateerde ik.

'Zeg,' zei ik tegen mijn vrouw, toen ik beneden was, 'die fan heb ik gisteren en vandaag hier door de straat zien lopen.'

'Ja? En?'

'Vind je dat niet merkwaardig?'

'Waarom?'

'Misschien word ik wel gestalkt.'

'Gestalkt?' vroeg mijn vrouw verbaasd.

'Ja, dat hoor je wel vaker; fans die hun idool stalken.'

'Vanwege die verhaaltjes?' vroeg mijn vrouw, niet geheel zonder ironie.

'Zou toch kunnen?'

'Zou kunnen, maar ik acht het niet erg waarschijnlijk.'

Op dat moment zag ik haar weer lopen, nu in de andere richting. Weer keek ze naar binnen en net op tijd dook ik als een snoek achter een stoel.

'Wat doe je?' wilde mijn vrouw weten.

'Daar was ze weer,' antwoordde ik vanachter mijn schuilplaats.

'Misschien moet ze gewoon hier in de straat zijn.'

'Ja, om mij te kunnen bespieden,' antwoordde ik. 'Ze draagt ook een tas om haar nek.'

'Een tas,' zei mijn vrouw, op zó'n toon, dat ik mij niet aan de indruk kon onttrekken dat ze mij niet geheel serieus nam.

'Vroeger, toen ik kind was,' zei ik, 'liep er in de stad een man die niet helemaal lekker in z'n bovenkamer was, ene Jan Derksen. Hij had ook altijd een tas bij zich. Hij sprak mensen aan en niemand kon er een touw aan vastknopen. Steevast deed hij dan zijn tas open en liet de aangesprokene erin kijken. Die zag alleen maar een stapel oude kranten.'

'Die man liep dus altijd met oude kranten in zijn tas door de stad,' zei mijn vrouw.

'Juist, Jan Derksen,' antwoordde ik, 'en deze vrouw heeft ook zo'n tas.'

'Janny Derksen dus,' zei mijn vrouw.

'O, gaan we lollig doen?' zei ik. 'Nou, laat de humor maar aan mij over, die verwerk ik wel in mijn verhaaltjes. Ik heb liever dat je me serieus neemt.'

Net op het moment dat ik overeind wilde komen, zag ik haar weer lopen en weer keek ze naar binnen.

'Daar was ze weer,' zei ik en ik merkte dat ik toch lichtelijk in paniek begon te raken.

'Maak je toch niet zo druk,' vond mij vrouw.

'Ogod,' kermde ik, 'ik word gestalkt.'

'Dan lijkt het mij het beste dat je voorlopig maar achter die stoel blijft zitten,' was de verre van meelevende reactie van mijn vrouw. Aan de manier waarop ze dat zei, hoorde ik dat ze geen enkele waarde hechtte aan mijn bange vermoedens.

De dagen daarna zag ik haar elke dag wel een paar keer door de straat lopen en na ruim veertien dagen besloot ik voorzorgsmaatregelen te nemen. Ik liet de lamellen in mijn werkkamer gesloten en als ik in de woonkamer moest zijn, bleef ik eerst in de deuropening staan, loerde als een kat in het nauw om mij heen en pas wanneer ik het idee had dat de kust veilig was, kwam ik schoorvoetend, bijna sluipend naar binnen. Ik plofte in mijn stoel en zakte onmiddellijk onderuit, zodat ik vanaf de straat niet te zien was. Ik zat niet, ik lag min of meer op mijn nek. Ik keek de hele dag angstig om mij heen, alsof de fan op elk moment als een duveltje uit een doosje tevoorschijn zou kunnen springen.

'Vind je je gedrag niet wat overdreven?'

'Overdreven?' vroeg ik, enigszins beledigd. 'Vandaag of morgen stopt hier een touringcar voor de deur en komt er een horde idioten uit, die weleens willen zien waar de man, die elke week zo'n grappig verhaaltje op Facebook plaatst, nu precies woont. Je hebt van die touringcarbedrijven die met bussen het hele land doorrijden en voor de huizen van bekende Nederlanders blijven staan, zodat de meute foto's kan nemen. Ogod, ik wil niet weten wat mij nog allemaal boven het hoofd hangt.'

'Hou op met je gejammer,' zei mijn vrouw, die geen enkel mededogen kon opbrengen voor mijn noodsituatie. 'Bovendien bén je helemaal geen bekende Nederlander.'

Mijn situatie werd steeds nijpender. Als ik naar de bakker moest - dat is nu eenmaal mijn taak in dit huishouden - sloop ik naar buiten, schoot als een speer de garage in, sleurde als een idioot mijn fiets naar buiten en reed kilometers om. Pas diep in de namiddag keerde ik huiswaarts met mijn broden en mueslibollen.

'Ik moet een pruik hebben,' zei ik tegen mijn vrouw. 'Een pruik en een zonnebril.'

'Volgens mij ga je behoorlijk met jezelf op de loop,' was haar antwoord.

'Jij hebt makkelijk praten, jij wordt niet gestalkt. Je ziet toch dat die vrouw elke dag door de straat loopt en hier naar binnenkijkt.'

'Zal ik een boerka voor je maken?'

'Tjongejonge, wat zijn we lollig.'

Na een maand, toen ik werkelijk de wanhoop nabij was en op het punt stond "Slachtofferhulp" te bellen, ging de deurbel. Even daarvoor had ik mijn fan weer langs ons huis zien lopen.

'Niet op reageren,' fluisterde ik tegen mijn vrouw.

'Maar je weet helemaal niet wie er voor de deur staat,' was haar antwoord.

'Ik wíl ook helemaal niet weten wie er voor de deur staat,' zei ik geïrriteerd.

Meteen daarop werd er weer aangebeld.

'Je kunt me nog veel meer vertellen,' zei mijn vrouw en liep naar de hal. Als een sluipmoordenaar sloop ik achter haar aan. Door het raampje in de voordeur zag ik haar staan: de fan. Gelukkig stond ze met de rug naar de deur, zodat zij ons niet kon zien. Ik pakte mijn vrouw bij haar schouder en duwde haar tegen de grond en zakte zelf ook naar beneden.

'Wat bezielt je?' zei ze kwaad.

'Weg hier,' fluisterde ik. 'Weg, weg, weg!' Met mijn hoofd duwde ik tegen haar billen en zo kropen we beide over de grond richting woonkamer. Pas in de keuken vond ik het veilig genoeg om overeind te komen. Dat de fan voorbij liep, daar was ik al min of meer aan gewend, dat ze nu aan de bel ging staan hengelen, gaf het geheel een nieuwe wending, een onaangename wending. Weer werd er gebeld. Mijn vrouw liep richting de hal en ik schreeuwde nog: 'Neeeeee!!!' maar ze was al weg. Ik vluchtte de tuin in, drukte mijn rug plat tegen de schutting, wachtende op het onheil dat zich ongetwijfeld over mij zou uitstorten. De minuten leken uren te duren. Uiteindelijk kwam mijn vrouw terug en zei mij dat ik naar binnen kon komen.

'Waar is ze?' vroeg ik paniekerig en badend in het zweet.

'Weg.'

'Hoe bedoel je weg?'

'Nou, gewoon zoals ik het zeg. Maar morgen loopt ze weer door de straat.'

'Ik wist het, ik wist het,' zei ik, 'daar ben ik voorlopig nog niet vanaf.'

'Dat klopt, je zult haar vaker zien.'

'Maar waarom belde ze aan?' wilde ik weten.

'O,' zei mijn vrouw heel ontspannen, 'ze had een pakje voor ons.'

'Een pakje?' Ik begreep er helemaal niets meer van.

'Ja, een pakje. Postbodes brengen naast brieven ook pakjes rond. Weet je wel?'

'Postbo…? Bedoel je te zeggen dat zij …?'

'Ja, deze mevrouw is de nieuwe postbode in onze wijk. Ze laat haar fiets altijd op de hoek van de straat staan, doet haar post in de tas die ze om haar nek heeft en gaat dan te voet verder omdat het met de fiets veel te onhandig is. Telkens op- en afstappen, een heel gedoe hoor.'

Ik was met stomheid gelslagen.

'Deze vrouw is eh …? Gôh …'

Ik ben die avond maar vroeg naar bed gegaan, bovendien moesten er de andere dag weer brood en mueslibollen worden gehaald.

Roem is vergankelijk en die van mij heeft al helemáál niet lang geduurd.

 

© Carl Slotboom / maart 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl