Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Drie schapen en een kameel

DRIE SCHAPEN EN EEN KAMEEL


DRIE SCHAPEN EN EEN KAMEEL

 

Op een bankje in het Vondelpark zat ik helemaal niets te doen. Er zijn weinig dingen die ik echt heel goed beheers, maar in nietsdoen ben ik een meester. Bovendien kan ik deze bezigheid urenlang volhouden. Nu is er in het Vondelpark altijd wel iets te zien, dus van vervelen kan geen sprake zijn. In de verte waren een paar jongetjes aan het voetballen. Ze schoten op doel, dat bestond uit twee jasjes, die ze enkele meters uit elkaar in het gras hadden gelegd. Na elk doelpunt werd er hartstochtelijk gejuicht. Bij de vijver lag een man op zijn buik te slapen. Hij lag geheel roerloos, zodat het leek alsof hij daar ter plekke ter aarde was gestort. Een oudere dame met aan een lijn een klein wit hondje, dat onmiddellijk tegen mij begon te keffen en likkebaardend naar mijn kuiten loerde, wandelde voorbij.

'Foei Fifi,' sprak ze vermanend tegen het kleine keffertje, dat zich daar echter niets van aantrok. De jongens hadden weer gescoord en weer werd er gejuicht. De slapende man sliep verder alsof de wereld om hem heen tot stilstand was gekomen.

'Mag ik naast u komen zitten?' vroeg een enigszins verkreukelde man, die eruit zag alsof ze hem zojuist uit de gracht hadden gedregd. Hij wachtte mijn antwoord niet af, maar ging met een zucht zitten.

'Hè hè,' zei hij geheel ten overvloede, 'ik zit.'

Ik schatte hem om en nabij de zeventig, met droeve gelaatstrekken. Hij leek mij niet het type dat 's morgens opstond en uitbundig riep: 'Kom, laat ik vandaag de bloemetjes eens buiten gaan zetten.' Maar goed, ik kan mij vergissen natuurlijk. Ik heb eens een ongelofelijke kniesoor gekend, een chagrijn van de bovenste plank, die na één borreltje onmiddellijk veranderde in een feestbeest en al zingende elke vrouw die voorbij kwam in haar billen kneep. Het kan verkeren, zou Bredero zeggen.

Uit zijn broekzak nam de man een zakdoek en veegde daarmee langs zijn voorhoofd. 'Warm hè?' zei hij, terwijl hij bleef poetsen. Ik dacht: als je zo doorgaat hangen straks de vellen er bij.

'Ik heb er geen last van,' antwoordde ik.

'Er zijn mensen die daar goed tegen kunnen. Tegen de warmte bedoel ik. Ik niet, ik leg 't af. Maar mensen, bijvoorbeeld in de Sahara, die hebben daar geen last van hoor. Je ziet ze wel op de televisie met die kamelen in al dat zand rondlopen en je moet maar eens goed opletten, ze hebben de halve kledingkast aan hun lijf hangen. Ik zou zeggen: doe lekker een korte broek aan, maar nee hoor, zij niet.'

'Ze dragen juist veel kleding om zich tegen de hitte te beschermen,' zei ik.

'Ja, dat weet ik wel,' antwoordde de man. 'Maar als ik die kerels zie lopen, breekt het zweet me al uit. Ik moet er niet aan denken. Mijn vrouw wel.'

'Die kan goed tegen de warmte?' vroeg ik.

'Destijds wel, maar of dat nu ook nog het geval is, weet ik niet. Daarvoor heb ik haar al te lang niet meer gezien.'

'U bent gescheiden neem ik aan,' vroeg ik, min of meer naar de bekende weg.

'Na dertig jaar huwelijk, meneer.'

'Dat is nogal wat,' antwoordde ik.

'Op een dag zegt ze tegen me: "Kees",  dat ben ik dus hè. "Kees," zegt ze, "ik wil voordat ik de pijp uitga nog een goeie daad verrichten."'

'Uw vrouw was stervende?' vroeg ik. Het leek mij een niet geheel onlogische vraag.

'Welnee, ze was springlevend en walgelijk gezond. Ze haalt de honderd op d'r sloffen. Nee, ze wilde scheiden om zodoende een goeie daad te verrichten.'

'Ja ja,' zei ik, niet begrijpende wat scheiding en goede daden met elkaar van doen hadden. Nu moet ik daarbij aantekenen, dat een kennis van mij ooit van haar man scheidde en daarmee werkelijk een goede daad verrichtte. Althans voor haar geplaagde echtgenoot, die blij was dat hij van haar af was.

'Ze wilde scheiden om weer opnieuw te kunnen trouwen.'

'Dat komt voor,' antwoordde ik.

'Ze wilde trouwen – ja, je gelooft het niet – met een asielzoeker.'

'Met een wát?' vroeg ik verbaasd.

'Ja, je hebt het goed gehoord, een asielzoeker. Kijk, als zij met zo'n man zou trouwen, zou hij een verblijfsvergunning kunnen krijgen en hoefde hij niet terug naar het land waar hij vandaan kwam. Begrijp je wel?'

'Dat was dus de goeie daad,' concludeerde ik.

'Juist,' antwoordde hij, 'je hebt 'm.'

'Maar er zijn toch wel andere goede daden te bedenken?' zei ik. 'Collecteren voor het Leger des Heils of de Zonnebloem, om maar eens wat te noemen. In een kringloopwinkel gaan werken, voor mijn part. Dat zijn toch ook goede daden? Je hoeft toch niet meteen te scheiden?'

'Nou ja, ons huwelijk was sowieso niet al te best, maar een scheiding vond ik wel heel erg radicaal. Maar ach, ik dacht: een bevlieging, meer niet.'

'En?' wilde ik weten.

'Mooi niet. Nog geen week later komt ze met zo'n asielzoeker thuis.

Ik zeg: "Wat krijgen we nou? Wie is dit in hemelsnaam?"

"Dit is Mohammed," zegt ze.

Het was me toch een schlemiel. Hij stond d'r bij alsof 'ie in z'n broek had gescheten. Zo'n lulletje rozenwater, weet je wel. Maar afijn, ik ben een heer, geef die man een hand en haal 'm gastvrij naar binnen. Ik denk: die gekkigheid van Gré waait zo direct wel over en dan verdwijnt die vent vanzelf weer naar het asielonderkomen.'

"Mohammed blijft hier een paar dagen logeren," zei Gré.

Ik zeg: "Wazeggu?"

"Ja," zegt ze, "hij krijgt de logeerkamer, die wordt toch nooit gebruikt."

"Volgens mij ben je knettergek geworden," zei ik.

"Die man moet inburgeren en we moeten toch weten of we wel bij elkaar passen als we gaan trouwen?"

Ik denk: laat ik maar niks meer zeggen, dan zijn we het snelste klaar. Nou, mooi niet dus. Na veertien dagen zat die gozer er nog. Hij zei boe noch bah. Hij keek maar voor zich uit. Ik werd bloednerveus van die vent. Bovendien stonk het hele huis naar knoflook. Ik werd er kotsmisselijk van.

Ik zei: "Moet Mohammed overdag niet naar het asielzoekerscentrum?"

"Nee," zei Gré, "hij zit zich hier in te burgeren."

"Ja ja," zei ik, "dat dacht ik al."

"Het beste is dat we hem maar zoveel mogelijk met rust laten," zei Gré, "dan went 'ie 't snelst."

"En praten kan 'ie niet?" vroeg ik.

"Hij spreekt alleen een heel klein beetje Engels."

Ik zeg: "Geen probleem, hij hoeft alleen maar het woordje goodbye uit z'n hoofd te leren."

En hij had natuurlijk helemaal niks. Alles achtergelaten in z'n land. Toen ik de dag, nadat Gré hem meegebracht had, een schoon overhemd aan wilde trekken, zie ik die vent opeens door de gang stuiteren met mijn overhemd aan. Broeken, sokken, ondergoed, het was allemaal tot de helft geminimaliseerd. De andere helft lag in de logeerkamer.

Maar goed, hij bleef maar en hij bleef maar en zat maar voor zich uit te staren. Ik dacht: niet teveel aandacht aan besteden, er zal wel een dag komen dat hij met  stille trom weer vertrekt naar het asielcentrum.

Op een avond zou Spoorloos op de teevee komen. Ik denk: daar ga ik naar kijken, misschien wordt 'ie gezocht, kan ik 'm meteen op de trein zetten. Niks Spoorloos, er werd een Arabische zender opgezet.

Ik zeg: "Hallo, moet dat?"

"Ja", zegt Gré, "dat moet. Mohammed verstaat de Nederlandse teevee niet."

"O," zeg ik, terwijl ik naar het beeldscherm wijs, "en dat ik hier geen barst van versta is niet belangrijk?"

Dat viel helemaal verkeerd. Ik moest niet zo kinderachtig doen en eens een keer aan andere mensen denken en meer van dat bla bla. Ik denk laat maar zitten, ik kijk wel. Ik ben sowieso iemand die nooit echt luistert naar wat ze allemaal zeggen op die teevee. Als 't maar beweegt, ben ik meestal wel tevreden.

Op een gegeven moment komt er een weerkaart in beeld, met een soort Willemijn Hoebert, maar dan met een boerka. Nou, toen was ik geweest en ben ik maar naar bed gegaan.

Op een goeie dag zeg ik tegen die gozer: "Hoelang denk jij deze flauwe kul nog vol te houden?"

Ik had geen idee of 'ie me verstond, maar weet je wat 'ie zegt?'

Ik wist het niet.

'Hij zegt doodleuk: "Ai merriet joer waif."

Nou, duidelijk dus. De volgende dag zegt Gré: "Ik heb de scheiding aangevraagd en zo gauw dat rond is gaan Mohammed en ik trouwen."

"Ja," zei ik, "ik heb de heugelijke mededeling al ontvangen, van de bruidegom persoonlijk."

"Maar jij blijft hier natuurlijk gewoon wonen," zei ze. "Dat huwelijk is dus alleen maar voor die verblijfsvergunning. Begrijp je wel?"

"Ja," zeg ik, "ik begrijp het helemaal. Maar denk je nou werkelijk dat ik hier blijf wonen, samen met jou en die Mohammed?"'

De jongetjes waren inmiddels verdwenen. Aan de overkant van de vijver liep de vrouw met het hondje, dat nog steeds irritant kefte tegen alles wat bewoog. Alleen de slapende man had zich nog altijd niet verroerd. Misschien was hij wel dood, dacht ik. Kan zo maar gebeuren. Doodgaan zonder dat iemand er erg in heeft. Wel mooi trouwens, zo in het gras van het Vondelpark.

'Die scheiding was in een poep en een scheet geregeld.

"Nou kunnen we trouwen," zegt ze tegen me, "en ik wil dat jij mijn getuige bent."

Ik zeg: "Je trouwt maar een eind weg en je zoekt maar een getuige in je kennissenkring, mij niet gezien. Nou, toen was ik weer kinderachtig natuurlijk en ik was er alleen maar opuit om het geluk van Mohammed in de weg te staan en meer van dat soort onzin. Kun je je voorstellen dat het hele circus me mijlenver de strot uitkwam?'

Ja, dat kon ik wel.

'Terwijl het gelukkige bruidspaar op het stadhuis zat, heb een paar koffers gepakt, de spullen van Gré en haar kersverse echtgenoot erin gemieterd en alles voor de deur gezet. Toen ze terugkwamen heb ik ze duidelijk gemaakt dat ze moesten opkrassen.

Ze zijn bij een vriendin gaan wonen en op een gegeven moment hoorde ik dat Mohammed een verblijfsvergunning had gekregen en dat ze samen een huisje hadden gehuurd op de Veluwe. Een lekker eindje uit de buurt. Opgeruimd staat netjes. Ja toch?'

Opeens kwam er beweging in de slapende man. Niet dood dus, gewoon een gezonde slaap. Hij stond op, rekte zich uit en langzaam slenterde hij naar de uitgang.

'Maar wat gebeurt mij nou een paar dagen na het huwelijk?'

'Geen idee,' antwoordde ik.

'Ik word 's morgens wakker, kijk uit het raam en wat zie ik?'

'Alweer geen idee,' zei ik.

'In m'n tuin staan een kameel en drie schapen. Ik denk: wat zullen we nou beleven? Wat moet die veestapel achter m'n huis? Ik naar buiten. Om de nek van die kameel hangt een kartonnen bordje en daar stond met viltstift op geschreven: "In tegenstelling tot jou is Mohammed een heer en in het land waar hij vandaan komt is een bruidsschat heel normaal. Veel plezier ermee."

Intussen had die kameel al m'n planten opgevreten en was hij begonnen aan de coniferen. De schapen deden zich tegoed aan het gras en scheten van zich af dat het een lieve lust was.

Lang verhaal kort: het hele spul staat nu op de kinderboerderij en tegen de kerstmis doen ze dienst als dieren bij het stalletje. Af en toe ga ik naar die boerderij met een baaltje hooi. Dan sta ik aan het hek en roep: Kom Gré, kom bij 't baasje. Ze kent me al, want op een draf komt ze altijd naar me toe. Hier, zeg ik dan, hier Gré, lekker vreten en niet verslikken hoor. En als ik dan wegloop roep ik nog: en lief zijn hoor, anders word je geslacht en maken we kamelenfrikandellen van je.'

Daarop stond hij op, groette me en wandelde naar de uitgang. Ik zei het reeds: van vervelen hoeft in het Vondelpark geen sprake te zijn.

 

© Carl Slotboom / augustus 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl