Home » Verhalen » Verhalen met een glimlach » Diederik Dijkema

DIEDERIK DIJKEMA


DIEDERIK DIJKEMA

 

'We hebben een uitnodiging,' zei ik, 'zojuist door de postbode bezorgd.'

'Leuk,' zei mijn vrouw, 'gaat er iemand trouwen?'

'Nee,' antwoordde ik, 'een uitnodiging van Elly.'

'O nee, hè,' was de reactie van mijn wederhelft.

Elly was een vage kennis, die ooit uit een duistere hoek was komen aanwaaien en van wie we maar niet af kwamen. We hadden echt alles al geprobeerd. Niet bij haar op visite gaan, de deur niet opendoen als ze aanbelde, de telefoon laten rinkelen en als we haar onverhoopt tegenkwamen, zeggen dat we toevallig heel veel haast hadden. Het was allemaal vruchteloos; Elly bleek een soort terriër die, wanneer ze eenmaal iets vasthad, niet meer losliet.

'En wat gaat ze nu weer doen?' wilde mijn vrouw weten.

'Hetzelfde als altijd,' antwoordde ik, terwijl ik de uitnodiging bekeek. 'Een culturele middag met een hapje en een drankje.'

'En ongetwijfeld gaat ze dan ook zingen,' zei mijn echtgenote.

Ooit had iemand, die ze overigens zouden moeten opsluiten, tegen haar gezegd dat ze beschikte over een heel aardige stem. Daar had ze zelf nog nooit bij stilgestaan, maar begon desondanks thuis in de badkamer af en toe een riedel ten beste te geven. Louter en alleen voor eigen genoegen en ze deed er niemand kwaad mee. Je kunt echter moeilijk voortdurend in de badkamer verdwijnen, wanneer je de drang voelt een mopje te gaan zingen. Op een kwade dag verlegde ze dan ook haar zangregio en begon ze tevens elders in het huis te kwelen. Nu was dat bij slecht weer, wanneer deuren en vensters gesloten waren, geen ramp. De huizen waren goed geïsoleerd en niemand die er last van had. In het voorjaar echter zette ze alles open wat maar open kon en zong er met overgave op los. Haar scherpe, niet geschoolde sopraan schalde als een scheermes door de buurt.

'Wat heeft u een mooie stem, mevrouw,' zei een oudere heer die toevallig langs het openstaande venster liep, terwijl Elly al stofzuigende een aria uit La Traviata ten gehore bracht. 'U zou zangles moeten nemen.'

Twee weken later had Elly haar eerste les, bij een gesjeesde operadiva, die absoluut geen heil zag in de zangkwaliteiten van haar leerlinge, maar het lesgeld goed kon gebruiken. Vanaf dat moment was er geen houden meer aan. Elly zong er als een bezetene op los, ze ging maar door. Na een aantal lessen vond ze zichzelf goed genoeg om haar stem wereldkundig te maken en begon culturele middagjes te organiseren. Eerst heel bescheiden, uitsluitend voor vriendinnen en de naaste buren. Die hadden op een gegeven moment het gekerm wel gehoord en begonnen allerlei smoesjes te bedenken om toch vooral niet meer op de uitnodigingen in te hoeven gaan. Dan maar een groter publiek aanboren moet Elly hebben gedacht en in de locale sufferdjes verschenen advertenties, waarin zij liet weten, dat zij tegen betaling van een luttel bedrag middagen organiseerde, waar zij opera-aria's ten beste gaf onder het genot van een hapje en een drankje. Omdat er in het dorp en de naaste omgeving nagenoeg niets te beleven viel, waren de culturele middagen in de ingeslapen negorij een welkome afwisseling. Als rechtgeaarde Hollanders, aangetrokken door de lage entreeprijs die zij moesten neertellen voor hap en drank, kwamen ze in grote getale als vliegen op de stroop af. Het zingen werd op de koop toegenomen en wanneer het al te gortig werd, pakten sommige bezoekers, die inmiddels het klappen van de zweep kenden, een tupperware bakje uit hun tas, vulden deze met hapjes en togen huiswaarts. Want dat moet worden gezegd: de hapjes waren van uitmuntende kwaliteit.

'Ik weet niet wat jij doet,' zei mijn echtgenote, 'maar ik sla een rondje over.'

Omdat ik niet altíjd nee wilde verkopen, stapte ik op de bewuste middag de openstaande voordeur binnen, teneinde mij te laven aan cultuur, drank en eetwerk. Het was een drukte van belang. Een snelle blik leerde mij echter dat ik helemaal niemand kende. Dat was niet erg verwonderlijk. Nagenoeg niemand had de behoefte het gezang van Elly voor een tweede keer aan te horen en lieten het bij één bezoek. Alleen zij die van plan waren met een goed gevuld tupperwarebakje huiswaarts te keren, waagden zich voor een tweede of derde keer in het hol van de zingende leeuw. Dit keer allemaal nieuwe gezichten en dus geen tupperware.

Het lijdend voorwerp stond groot en pontificaal in het midden van de salon, met één hand leunend op de zwarte glimmende Steinway.

'Wat leuk dat je er bent,' fluisterde ze. 'Sorry, ik moet mijn materiaal sparen voor straks, vandaar dat ik nu even op halve kracht spreek.'

'Ik begrijp het,' antwoordde ik, terwijl ik er een lief ding voor over zou hebben indien ze ook op halve kracht zou zingen.

'Neem wat te drinken, de hapjes komen in de pauze.'

Een tegenvaller, aangezien ik die ochtend, met het oog op de lekkernijen die geserveerd zouden worden, een heel bescheiden ontbijtje had genomen. Eerlijk gezegd barstte ik van de honger. Het zag er naar uit dat ik me eerst door allerlei coloraturen en hoge c's heen moest ploegen, alvorens mijn knorrende maag te bevredigen. Het zat dus flink tegen. Elly had kosten noch moeite gespaard en had naast de ingehuurde pianist ook een paar meisjes in dienst genomen die rondgingen met de drank. Een allerliefst wezentje hield mij een blad voor en ik nam er een glas rode wijn vanaf. Ik besloot haar nauwlettend in de gaten te houden en meteen toe te slaan, wanneer ze zich weer in de salon bevond voor de volgende ronde. Eén ding had deze culturele middagen mij wel geleerd: met een paar glazen wijn achter de kiezen was het gezang beter te verdragen.

Ik slenterde wat door de ruimte, af en toe nippend aan mijn glas, toen een nogal corpulente dame met de outfit van een paradijsvogel mij de doorgang versperde. Ze keek mij zo verbaasd aan, dat ik een ogenblik dacht dat achter mij de zaak in lichterlaaie stond en ik mij met een ruk omdraaide. Loos alarm, niets aan de hand. Toen ik weer voor mij keek, stond de vrouw mij nog altijd aan te staren en was haar mond inmiddels een heel eind open gezakt.

'Nee maar,' toeterde ze. 'Wat leuk dat ik u nu eens in levende lijve ontmoet.' Daarop pakte ze mij resoluut bij mijn elleboog en loodste mij naar een groepje heren, die genoeglijk met elkaar stonden te converseren.

'Kijk eens, Henk,' zei ze tegen een van hen. Henk, een sullige dikkerd met een rood hoofd en een neus, waar je de alcohol uit zou kunnen knijpen, keek, maar ondernam verder geen enkele actie.

'Wat kijk je nou?' vroeg de vrouw, die kennelijk zijn echtgenote was.

'Ja, ik moest toch kijken,' antwoordde Henk, nog steeds niet wetende waarom.

'Zie jij niet wie dit is?' vroeg ze hem, terwijl ze elk woord beklemtoonde.

Henk keek, maar het verlossende licht scheen nog niet helemaal door te dringen.

'Nou?' drong zijn echtgenote aan. 'Nou?'

'Ja, wel iets bekends,' loog Henk er naar hartenlust op los, teneinde zijn vrouw niet teleur te stellen. 'Help even.'

'Jij ziet ook nooit wat,' sneerde zijn vrouw. 'Zie jij nu werkelijk niet dat dit Diederik van Dijkema is?'

Henk kneep zijn oogleden een weinig dicht, keek mij nauwkeurig aan en zei toen:

'Ach ja, nu zie ik het, Diederik van Dijkema.'

Hij loog alweer dat hij barstte.

Ik voor mij had in ieder geval geen idee wie Diederik van Dijkema was en ik concludeerde dat ik naar alle waarschijnlijkheid een zekere gelijkenis vertoonde met deze grote onbekende.

Weer pakte de vrouw mij bij mijn elleboog en liep met mij bij de heren vandaan.

'Ik heb al uw boeken gelezen,' zei ze en ik kon mij niet aan de indruk ontrekken dat ik enige zwoelheid in haar stem bespeurde, zodat ik mij onmiddellijk afvroeg welk genre Dijkema aanboorde in zijn lectuur.

'Vooral het boek over de grootste pinguïnkolonie ter wereld, heeft mij erg geboeid.'

O, dacht ik: pinguïns, dat kan geen kwaad. Dijkema was van alle blaam gezuiverd.

'Bent u al bezig met een nieuw werk?' vroeg ze.

'Nou, dat is te zeggen …' zei ik.

'Ik begrijp het, ik begrijp het helemaal. Daar wilt u uiteraard niets over loslaten.'

'Och …' antwoordde ik losjes, alsof ik geen enkele moeite had een tipje van de sluier op te lichten.

'Zoals u schrijft, hè. Uw stijl, uw zinsbouw en uw grote kennis.'

'Van de pinguïns,' zei ik.

'Niet alleen van de pinguïns, meneer Dijkema,' antwoordde ze. 'Nee, ook van al die andere onderwerpen waarover u geschreven heeft en naar alle waarschijnlijkheid nog zult gaan schrijven.'

'Gôh …' zei ik, danig onder de indruk van alle kennis die ik scheen te bezitten.

Ze deed nu een stap in mijn richting en fluisterde in mijn oor: 'Ik zal u eens een geheimpje verklappen … ik ga elke avond met u naar bed.'

Ik schrok me kapot. Het culturele middagje nam opeens een onverwachte wending. Ik moest er wel even goed met mijn hoofd bijblijven. Voordat je het weet ontaarden onschuldige culturele bijeenkomsten met zang, hap en drank in ongeremde liederlijkheid.

'Wilt u wel geloven dat ik helemaal sta te vibreren,' hijgde ze in mijn oor.

Wilde ik erger voorkomen leek het mij heel zinnig een stapje terug te doen. Ik deed een stapje terug, zij een stapje voorwaarts. Lood om oud ijzer dus.

'Ik zou vandaag nog met u naar de Zuidpool willen vertrekken,' zei ze met een ongekende zwoelheid.

'Naar de pinguïns, neem ik aan.'

'Als dat zou kunnen, Diederik,' antwoordde ze. 'Ik mag toch Diederik zeggen?'

'Ja hoor, geen probleem,' reageerde ik. Ik wilde daar niet moeilijk over doen. Zeker niet tegenover iemand die elke avond met je onder de dekens ligt.

'Een reis naar de Zuidpool komt me nu even heel erg ongelegen,' zei ik, 'ik moet eerst nog een concert bijwonen en bovendien eten wij rond de klok van zes uur.'

'Welnee, gekkie, ik bedoelde het maar bij wijze van spreken.'

'O …' zei ik sullig.

'Ik ben gewoon heel erg opgewonden in uw nabijheid,' zei ze.

Elly had nog geen noot gezongen en het dreigde nu al een chaos te worden. Ik vond het nu echt tijd worden voor een verklaring mijnerzijds.

'Mevrouw, het spijt mij te moeten zeggen, maar ik ben helaas niet …'

'Zou ik een handtekening van u mogen hebben?' onderbrak ze mij.

'Een eh … een handtekening?' vroeg ik.

'Daar kan ik mijn vriendinnen dan de ogen mee uitsteken. O, wat zullen ze jaloers zijn. Een handtekening van de grote Diederik Dijkema.'

'Ach ja, waarom niet,' zei ik, alsof ik elke dag talloze handtekeningen links en rechts rondstrooide. Heeft u iets te schrijven?'

Uit haar handtas viste ze een zwarte viltstift.

'En een papiertje? Heeft u ook een papiertje?' vroeg ik.

'Nee, niet op een papiertje. Ik heb een heel ander plekje in gedachten.'

Als een bezetene liet ik alle plekjes waar handtekeningen gezet kunnen worden de revue passeren en kwam tot de conclusie dat hier in deze overvolle salon geen kwaad aangericht kon worden.

'Zegt u het maar, mevrouw.'

Voor de derde keer pakte ze mij bij mijn elleboog en manoeuvreerde mij naar een hoekje van de salon. Ze drukte mij tegen de wand en ging vlak voor me staan, met haar rug naar de overige gasten. Voordat ik het goed en wel besefte had ze een voluptueuze, niet onaangename borst ontbloot en hield mij deze voor.

'Als u zo vriendelijk zou willen zijn,' zei ze, terwijl ze mij de viltstift gaf.

Het klamme zweet brak me uit en met trillende hand zette ik een onleesbare krabbel op haar vrouwelijke vleesmassa.

'Zo,' zei ze tevreden, terwijl ze naar de handtekening staarde, 'deze borst was ik nooit meer.'

Het leek mij wat onhygiënisch, maar dat moet ieder voor zich weten uiteraard.

Daarop borg ze haar vrouwelijkheid weer op, nam mijn hand en trok mij achter zich aan in de richting van de gastvrouw.

'Ik ga zo beginnen,' zei deze. 'De aria Vissi d'arte uit de opera Tosca. O … jullie zullen genieten!'

'Ik wist niet dat deze meneer tot jouw kennissenkring behoorde, El,' zei de vrouw, terwijl ze mij nog altijd bij de hand hield.

'Ja, hoor, al heel lang, hij is een goede vriend van mij,' antwoordde Elly.

'Ik ben een fan van hem,' zei de vrouw.

'Ach, wat leuk,' antwoordde Elly, enigszins afwezig en met haar hoofd bij Tosca.

'De grote Diederik Dijkema. Ik heb al zijn boeken gelezen.'

'Diederik wie?' vroeg Elly, die kennelijk begreep dat er iets niet goed ging.

'De schrijver Diederik Dijkema. O … ik ben zo gelukkig dat ik hem hier heb mogen treffen.'

'Mevrouw hier denkt dat ik de schrijver Diederik Dijkema ben,' zei ik tegen Elly. 'Je weet wel, die vent van die pinguïns.'

'Ik ken geen Diederik Dijkema,' zei Elly tegen de vrouw. 'Dit hier is …' en ze noemde mijn naam.

De mond van de vrouw viel als een schuurdeur open, ze deed een stap terug, bekeek mij van top tot teen en tetterde: 'Wilt u beweren dat u Diederik Dijkema helemaal niet bent?!'

'Eh … ja, eigenlijk wel,' antwoordde ik.

'En u heeft het lef om aan mijn borsten te komen,' tierde ze door het dolle heen. 'Viezerik!'

Iedereen keek nu in onze richting.

'Nou, u wilde tenslotte dat ik daar een handte…'

'Nee, nou wordt die helemaal fraai!' onderbrak ze mij. 'Mij de schuld geven dat ík wilde. Nee, meneer, ú wilde, u en helemaal niemand anders. U moest zo nodig met uw viltstift mijn borst bekladden. Maar ik zeg u één ding: ik klaag u aan wegens aanranding!'

'Misschien kunnen jullie dat later bespreken,' zei Elly. 'De gasten wachten met smart op mijn zang.'

Dat loog ze; daar zat nu ook werkelijk helemaal niemand op te wachten. Nee, de gasten verlekkerden zich aan de scène die zich ter hoogte van de glimmende Steinway afspeelde en Tosca kon ze gestolen worden. Het leek mij beter mijn hielen te lichten, voordat enkele heren het in hun hoofd zouden halen mij te lijf te gaan.

'Ik eh … ik koop wel een cd,' zei ik tegen Elly. 'Eh … Tosca zei je?'

Daarop draaide ik mij om en verliet het pand. Aan mijn vrouw vertelde ik dat ik hoofdpijn had en derhalve naar huis was gegaan. Ja, ik zou niet weten hoe ik het anders uit had moeten leggen.

 

© Carl Slotboom / september 2021

www.carlslotboom.nl

www.tekstbureau-carlslotboom.nl