DE IJSPEGEL


DE IJSPEGEL

 

Regelmatig kom ik in de stad waar ik ben geboren en getogen. Een leuke, gezellige stad aan de rand van de Achterhoek. Zo ook een paar dagen geleden. Het was donderdag, marktdag. De stad heeft drie aaneengesloten markten, die als een langgerekt lint het kleine centrum omsluiten: de Groenmarkt, de Houtmarkt en de Zaadmarkt. Al eeuwenlang komen kooplieden naar de stad om hier hun waren uit te stallen. De namen van de verschillende markten geven aan welke koopwaar er in het verre verleden werd verkocht. Alleen de Groenmarkt doet zijn naam nog echt eer aan. Hier worden nog steeds groenten en fruit aangeboden. Zaden zullen er ook wel worden verkocht, maar daar moet je dan echt naar op zoek. Hout is uiteraard allang uit den boze op deze gezellige donderdagmarkt.

De lente zat in de lucht. De zon scheen en met een jas aan was het heerlijk toeven op het terras van een taartenwinkel met de naam 'Limburgia'. Dit deed vermoeden dat hier echte Limburgse vlaai werd geserveerd. Ik bestelde een cappuccino en een punt kersenvlaai. Je moet jezelf af en toe eens flink kietelen.

In de verte nadere een vrouw die een rolstoel voortduwde. Ze leek me iemand die verknocht was aan de Story en spelletjesprogramma's op de tv. Het type: lang leve de lol. In de rolstoel zat een oude dame, gewikkeld in dekens. Ze had iets weg van een nomade onder extreme weersomstandigheden. Kleine, geniepige oogjes priemden boosaardig de wereld in.

Een paar meter achter de stoet sjokte een gezette man, die er geen heil meer in zag. Hij had een wat uitgezakt gezicht met een blik van: ik geloof het allemaal wel, als je maar niet tegen me aan gaat lopen lullen. Een ontgoochelde man. Ontgoocheld in het leven en ontgoocheld in Ajax. Maar vooral ontgoocheld in het huwelijk met zijn echtgenote waar hij het nu al jaren mee uithield. Hij zette zijn voeten een beetje wereldvreemd neer. Zijn gang leek op die van Donald Duck en het kruis van zijn broek hing te laag.  

De serveerster bracht de cappuccino en de vlaai. Op dat moment hield de kleine stoet halt. De vrouw achter de rolstoel keek mij langdurig en met een hogelijk verbaasde blik aan.

'Krijg nou wat!' toeterde ze in mijn richting. 'Lééf jij nog?'

Ze had een stem die deed denken aan een nagel die over een schoolbord krast.

Aangezien ik dacht dat ze het tegen iemand had die achter mij zat, draaide ik mij om. Ik zat tegen de muur van de vlaaierette; er zat niemand.

Ze kwam achter de rolstoel vandaan en beende op mij af.

'Jij bent …' zei ze, zonder haar zin af te maken en keek mij met half dichtgeknepen oogleden aan.  

'Ja,' ging ze verder. 'Jij bent het.'

Nu zijn er dagen dat ik denk dat ik het niet ben, maar dat zijn meestal de dagen na een dag waarop ik teveel alcohol heb geconsumeerd. Vandaag was ik het gewoon.

'Ja,' zei ik, 'ik ben het.'

'Kijk mij eens goed aan,' zei ze en kwam een stapje dichterbij.

De vrouw in de rolstoel was inmiddels in slaap gesukkeld en de echtgenoot stond wezenloos in het niets te staren en te wachten tot hij het commando kreeg verder te mogen lopen. Dat zat er nog even niet in.

'Herken je mij niet?' zei ze.

Ik had geen flauw benul. Om haar niet teleur te stellen, zei ik op een toon die deed vermoeden dat het mij elk moment te binnen kon schieten:

'Nou …'

Ze draaide zich om.

'Kom eens hier, Willem.'

Willem, die zich op dat moment stond te verlekkeren aan een goed gevormde voorbij wandelende jongedame en zijn fantasie er driftig op had losgelaten, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij was in ieder geval goed gedresseerd.

'Weet jij wie dit is, Willem?'

Willem keek alsof hij de Titanic ten onder zag gaan en mompelde iets wat niemand verstond en hijzelf nog het minst.

'Dit, Willem, is de ijspegel.'

Nou, dat was in ieder geval al iets. Eerst was ik gewoon 'het' en nu had 'het' opeens een naam: de ijspegel.

Daarop stootte de vrouw de oudere dame aan. Ze veerde een halve meter omhoog.

'Wat moet dat?!' kraste ze boosaardig.

'Kijk eens wie we hier hebben, moeder,' zei haar dochter.

De vrouw in de rolstoel keek mij langdurig aan.

'Verrek,' zei ze, 'de ijspegel.'

Onmiddellijk daarop sukkelde ze weer in slaap.

Nou, dat was duidelijk. Ik was de ijspegel.

'Dit is nou de man over wie ik je al vaak heb verteld,' zei ze tegen haar echtgenoot, die allang geen aandacht meer had voor het tafereel. Er kwam zoveel moois voorbij, hij kwam ogen tekort. Het zou weleens de opmaat naar een hete zomer kunnen zijn.

Nog altijd had ik geen idee wie de vrouw was; wie die mensen überhaupt waren.

'Gaat er nog steeds geen lichtje branden?' vroeg ze.

'Een beetje,' loog ik. 'Help me even op weg.'

'Gea,' zei ze, maar daar schoot ik niets mee op.

'Aha,' zei ik en liet daarbij in het midden of ze me nu wel of niet bekend voorkwam.

'Gea Schoolderman.' Zelfs inclusief achternaam, die ze met veel klemtonen uitsprak, bleef het een raadsel.

'O …' zei ik. 'Gea Schoolderman.' Het klonk heel erg overtuigend. Liegen kan ik als de beste.

'Hè hè,' zuchtte ze, zichtbaar opgelucht.

Ik nam een slok van mijn cappuccino.

'Jij kunt je onze verkeringstijd vast nog wel herinneren.'

Deze mededeling kwam op het verkeerde moment. De koffie schoot achter in m'n keel en veroorzaakte een verstikkende hoestbui.

'Ja, daar schrik je van, hè?' zei ze.

Dat kun je wel zeggen dacht ik. Ik zei het niet.

'God, wat was je een lul.'

Ook dat nog.

'O ja?' vroeg ik sullig.

'Een kouwe kikker was je. IJskoud. Ik noemde je niet voor niets ijspegel. Je had geen idee hoe je met meisjes om moest gaan.'

Dat was volslagen nieuw voor me, aangezien ik altijd het idee had gekoesterd dat ik een rasversierder was en wist waar Abraham de mosterd haalde. Niet dus, volgens Gea Schoolderman, die mij nog steeds volkomen onbekend was. Ik kon mij in de verste verte niet herinneren ooit verkering met haar te hebben gehad. Maar in je jonge jaren doe je wel meer dingen die je je naderhand niet kunt herinneren.

'Als je bij me was moest ik altijd moeite doen om niet in slaap te vallen.'

Ik fungeerde dus ook nog als slaaptablet. Het kon bijna niet erger.

'Ik kom even naast je zitten, dat praat wat makkelijker.' Ze nam plaats op het stoeltje naast de mijne. Opoe sliep en Willem was weer druk in de weer met al het moois dat de stad te bieden had.

'Mag ik?' zei ze. Ze wachtte het antwoord niet af maar pakte resoluut het schoteltje met daarop mijn punt kersenvlaai.

'Dit ben je me wel schuldig.'

Ik stond kennelijk bij haar in het krijt. Nou ja, dat kon er ook nog wel bij. Ze opende haar mond als een nijlpaard en schoof in één beweging de halve punt naar binnen.

'Wat doe je tegenwoordig?' zei ze met een volle vlaaimond.

'O eh … eigenlijk eh …'

'Helemaal niks dus.'

'Nou, nee dat eh …'

'Schiet op, slome duikelaar.'

'Ik schrijf,' zei ik.

Haar mond viel als een schuurdeur open. Overal zag ik restanten kersenvlaai. Mijn kersenvlaai dus.

'Je doet wát?'

'Ik schrijf. Een eh … een beetje,' zei ik. Het klonk als een verontschuldiging, wat niet de bedoeling was.

'Ik schrijf ook,' zei ze. 'Zweedse raadsels, boodschappenbriefjes, kattenbelletjes voor Willem want die heeft een geheugen als een zeef. Ik schrijf me suf.'

'Ik heb een boek geschreven,' zei ik.

'Toe maar, meteen maar een heel boek. Hoor je dat, Willem? De ijspegel heeft een boek geschreven.'

'Dat is mooi,' zei Willem en loerde weer verder.

'En waar mag dat boek dan wel over gaan?' wilde ze weten.

'Och,' zei ik. 'Over eh … kinderen, kippen, koeien, een roofvogel.'

'Hoor je dat, Willem,' zei ze weer. 'De ijspegel heeft een boek geschreven en dat speelt zich af op een kinderboerderij.'

'Nou, dat niet direct,' zei ik. Het klonk allesbehalve overtuigend.

'En is dat boek ook ergens te koop?'

'Ja,' zei ik. 'Hiernaast bijvoorbeeld.'

'Bij van den Brink?'

'Ja, ze hebben het op voorraad.'

'En hoe mag deze bestseller dan wel heten?'

'Bevroren tijd.'

Ze keek me aan alsof ze water zag branden. Onmiddellijk daarop barstte ze in een onbedaarlijke lachbui los. Het was geen lachen, het was gieren. Met lange uithalen. Ik schaamde me kapot.

'Bevroren tijd!' gierde ze. 'Wat een ongelofelijke giller! O God, ik pis in m'n broek! Echt een titel die bij een ijspegel past. De hele zaak zit vastgevroren.'

Weer gierde ze het uit.

'Hoor je dat, Willem?' riep ze in de richting van haar echtgenoot. Ik begon te vermoeden dat deze zin het wachtwoord was, dat Willem telkens tot de orde moest roepen. 'De ijspegel heeft een boek geschreven met als titel bevroren tijd. Het speelt zich af op een kinderboerderij, waar de hele rotzooi zwaar bevroren is. Met geen bijl weg te hakken.'

'Ja ja,' zei Willem, die het wel geloofde.

'Ga eens hiernaast vragen naar dat boek, Willem.'

Willem sjokte de boekwinkel binnen.

'Bevroren tijd. Nou een toepasselijker titel had je niet kunnen bedenken.'

Na een paar minuten kwam Willem weer terug met het door mij geschreven boek. Hij gaf het aan zijn vrouw.

'Is dat alles?' zei ze.

'Ja,' zei ik, 'dat eh … ja.'

'Nou, een boekje van drie keer niks dus.' Ze bekeek het boek van alle kanten. 'Staan er ook plaatjes in?'

'Nee,' zei ik, 'er staan geen plaatjes in.'

'Kon dat er niet meer vanaf?'

'Het is geen boek dat zich leent voor plaatjes.'

Ze draaide het boek om en om.

'En je hebt het niet eens onder je eigen naam geschreven. Dat durfde je zeker niet.'

'Dat is wel mijn eigen na…'

Ze luisterde niet.

'Je hebt het geschreven onder een spuideniem. Lafaard! Je was destijds al zo'n stiekemerd.' Ze las mijn naam hardop voor. 'Carl Slotboom. De naam alleen al. Had je niks beters kunnen bedenken?'

'Nou, Carl Slotboom is toevallig wel mijn eigen na…'

Het had geen zin, ze luisterde voor geen meter.

'Breng maar terug, Willem.'

'Dat kan niet,' zei Willem, 'ik heb het gekocht.'

'Je kunt het toch terugbrengen? Dan krijg je gewoon je centen terug.'

'Ik wil het houden,' zei Willem.

'Ik moet die onzin niet in m'n huis hebben. We hebben al rotzooi genoeg.'

'Dan geef ik het aan iemand cadeau,' zei Willem.

'Zeker aan die sloerie van de afdeling boekhouding, waar je al maanden mee rommelt en rotzooit.'

'Wie?' zei Willem. 'Ik?'

'Hij denkt dat ik het niet weet,' zei ze tegen mij. 'Maar die viezerd grijpt die slet tussen de middag achter de koffiemachine. Uit betrouwbare bron vernomen.'

'Je kijkt teveel televisie,' zei Willem.

'Nou, breng terug dat boekwerk, want ik wil m'n centen terug.'

'Ik pieker er niet over,' zei Willem. 'Maandag is het Valentijnsdag en ik vind het een mooi valentijnscadeautje.'

'Mooi, als je maar weet dat ik het van je zakgeld aftrek.'

Ze stond op.

'Nou, Pim,' zei ze. 'Het zal wel niks worden, maar succes met je boekje.'

Terwijl ze de rolstoel van de rem haalde, zwaaide opoe dreigend met een gebalde vuist in mijn richting.

'Lapzwans!' riep ze.

Daarop bewoog het tweetal zich in de richting van de markt.

'Zou u iets in het boek willen schrijven?' vroeg Willem.

'Wat zal ik schrijven?'

'Schrijft u maar: voor mijn poesje.'

'Voor mijn poesje?' vroeg ik.

'Ja en daaronder dan uw naam.'

Ik deed wat de man mij had gevraagd. Hij pakte het boek weer aan, maakte een lichte buiging en zei:

'Dank u wel. Dag, meneer Pegel.'

Met Donald Duck passen liep hij eveneens in de richting van de markt.

Ik rekende af en besloot naar huis te gaan. Aan de andere kant van het land. Stel je voor dat ik nog meer oude vlammen tegen zou komen. Ik moest er niet aan denken.

 

© Carl Slotboom / februari 2022

www.carlslotboom.nl