DAG PA, HOU JE GOED


DAG PA, HOU JE GOED.

 

'Ik zeg het je nog een keer,' zegt de vrouw, 'voor mij hoeft het allemaal niet.'

'Wat niet, ma?' vraagt de platinablonde dochter.

'Nou, dit hele gedoe, deze hele heisa. Ik begrijp niet waarom we daarvoor helemaal uit Amsterdam moesten komen.'

'Ja ja, nou weet ik het onderhand wel een keer,' antwoordt de echtgenoot op geïrriteerde toon, terwijl hij met de afstandsbediener de autoportieren afsluit. 'Kinderen gaan nu eenmaal op nieuwjaarsdag naar hun ouders.'

'Nou, zo gek ben je anders niet met 'm,' sneert de echtgenote.

'Ik heb er eerlijk gezegd ook niet zoveel behoefte aan,' zegt de dochter.

'Waarom loop je er eigenlijk zo bij?' vraagt haar vader, terwijl hij haar van top tot teen bekijkt.

'Hoe bedoel je?'

'Een rokje tot net onder je navel en een veel te laag uitgesneden decolleté. Kijk maar uit dat ze geen kou vatten.'

'Zo loopt ze er altijd bij,' zegt de echtgenote, 'dus ik vraag me af wat er nu opeens aan mankeert.'

'Ja,' zeurt haar man verder, 'ik weet dat ze er altijd zo bijloopt, maar voor deze gelegenheid had ze toch wel iets anders aan kunnen trekken?'

'Ik heb niks anders.'

Gedrieën lopen ze naar de voordeur, die, nadat de man heeft aangebeld, door een oudere vrouw wordt opengedaan.

'Dag, Marie,' zegt de man, 'gelukkig Nieuwjaar.'

'Kom binnen,' zegt Marie, 'hij ligt in het opkamertje.'

'Nog steeds niets veranderd?' vraagt de man.

'Nee, nog steeds hetzelfde. Hij ligt nu al een paar dagen in een soort coma en ik heb geen idee of hij nog enig benul heeft.'

'Wat is dat, ma, coma?'

'Hè, effe niet, Chantal,' antwoordt de moeder met een zucht.

'O sorry, hoor,' klinkt het verongelijkt.

'Als jullie wat nodig hebben,' zegt Marie, 'ik ben in de keuken. Er zijn ook nog oliebollen. Ja, hij heeft ze niet gegeten, hoor, maar ik bak elk jaar, dus dit jaar ook maar. Nou, jullie redden je wel, hè?'

'Gaan jullie maar eerst naar binnen,' zegt de dochter, 'ik wacht wel effe.'

'Waarom?' vraagt de vader.

'Omdat ik het heel erg griezelig vind.'

'Wat is dat nou weer voor onzin? Een ouwe man in een bed, daar is toch niks griezeligs aan?'

'Nou, dat vind ik wel.'

'Je hebt toch wel vaker een vent in een bed zien liggen?' wil de moeder weten.

'Jawel,' antwoordt de dochter met een veelbetekenende glimlach, 'maar die waren springlevend.'

'Ja, dat weten we,' zegt de vader op een toon die aan fantasie niets te wensen overlaat. 'Nou, kom op.'

Hij opent de deur en stapt naar binnen, op gepaste afstand gevolgd door zijn echtgenote en dochter. Behoedzaam lopen ze naar het bed, waarin een oude man ligt, die zijn ogen heeft gesloten en nauwelijks waarneembaar ademt. Hij ligt op zijn rug en zijn tandeloze mond hangt wagenwijd open.

'Hallo, pa,' zegt de zoon. 'We komen je even gelukkig nieuwjaar wensen. Gré en Chantal zijn er ook.'

'Gelukkig nieuwjaar,' zegt de vrouw smalend, 'wat een giller.'

'Het is vandaag toch Nieuwjaar?' bijt de echtgenoot haar toe.

'Ja, dat wel, maar of 'ie er veel van merkt is maar de vraag,' antwoordt de vrouw. 'Kijk hoe 'ie erbij ligt.'

'Getverderrie,' zegt de dochter, terwijl ze vol afgrijzen naar de man in het bed staart.

'Hè, Sjan,' zegt de moeder, 'hou effe op.'

'Nou, ik vind het gewoon heel erg eng. Kun je z'n mond niet even dichtdoen, pa?'

'Ga maar effe een beetje opzij, Sjan,' zegt de moeder.

'Hoe gaat het, pa?' vraagt de zoon.

'Hoe gáát het?' vraagt de echtgenote verbaasd. 'Nou, dát is wel duidelijk, dacht ik zo.'

'Zeg jij ook even wat tegen opa,' zegt de vader tegen de dochter.

'Wie? Ik? Wat moet ik zeggen dan?'

'Wat maakt mij dat nou uit, zeg gewoon wat, je zit anders toch ook niet om tekst verlegen?'

'Ik weet effe niks.'

'Laten we gaan zitten,' zegt de man.

'Niet te lang, hoor,' is het antwoord van zijn vrouw, 'want ik word hier hartstikke depressief en de eerste dag van het jaar is nog niet eens om.'

Gedrieën gaan ze zitten en staren wezenloos naar de zieke.

'Wat kan een mens aftakelen, hè?' zegt de vrouw.

'Wat heeft 'ie eigenlijk?' wil de dochter weten.

'Je kunt beter vragen wat 'ie niet heeft,' zegt haar moeder.

'Ja, echt voordelig ligt 'ie er niet bij,' zegt de man. 'Mijn hemel, en dan z'n waffel zo wijd open.'

'Misschien moet je 'm even dichtduwen,' vindt de echtgenote.

'Ik kijk wel uit. Stel je voor dat ik wat breek en dat z'n onderkaak dan dwars tegen de bovenkaak aanhangt.'

'Getverderrie, pa, hou op alsjeblieft.'

'Ik vraag me af wanneer 'ie voor het laatst is gewassen,' zegt de vrouw, 'het ruikt hier niet bepaald fris.'

'Zeg dat wel, ma, ik word er misselijk van.'

'Ik zet het raam wel even open,' zegt de man.

'Kijk maar uit, dat 'ie niet wegwaait.'

'Wegwaait, ma?' wil de dochter weten.

'Ja, die man is graatmager, bij een zuchtje wind is 'ie weg.'

'Nee, laat dan 't raam maar dicht,' zegt de dochter. 'Straks waait 'ie weg en dan moeten we 'm nog gaan lopen vangen.'

'Ik zou eigenlijk wel een pilsje lusten,' zegt de man, 'ik verrek van de dorst. Ik ga even naar Marie. Moeten jullie ook wat?'

'Ja, doe mij maar een wijntje,' zegt de dochter. 'Jij ook, ma?'

'Ach ja, waarom niet.'

'Eén pils en twee wijntjes,' zegt de man op een toon alsof hij een bestelling opneemt in een leuke kroeg. 'Moet jij ook wat drinken, pa?' vraagt hij, terwijl hij zich over de zieke heen buigt.

'Je kunt het er zo ingieten,' zegt de echtgenote.

'Geintje, pa, mag wel, hè?' zegt de zoon, waarna hij het kleine kamertje verlaat op weg naar de versnaperingen.

'Kijk 'm liggen,' zegt de vrouw, 'moeders mooiste.'

'Het lijkt wel iemand uit een griezelfilm, hè, ma?'

'Ik heb die man nooit gemogen. Hij mij trouwens ook niet. Hij dacht dat alle vrouwen die uit Amsterdam kwamen achter de ramen hadden gezeten.'

'Heb je toch ook, ma?'

'Ja, maar dat wist hij toch niet, ik heb het 'm in ieder geval nooit verteld. Hij lulde maar zo een eind weg.'

'Volgens mij is 'ie het er nooit mee eens geweest dat je met zijn zoon trouwde.'

'Die man was het nooit ergens mee eens. Afschuwelijke kerel. Een hork is 't.'

'Wat is een hork, ma?'

'Nou,' zegt haar moeder, terwijl ze naar haar schoonvader wijst, 'dat daar!'

'Ja, ik mag 'm ook niet, hoor. Hij was nooit aardig tegen mij, de opa's van andere kinderen vond ik altijd veel leuker. Hij maakte me altijd aan het schrikken. Als we hier weleens op visite waren, in dit enge, grote huis, sprong 'ie altijd opeens uit een donker hoekje tevoorschijn en riep dan keihard: "Boeh!". Ik schrok me altijd kapot.'

'Ik zal hem niet missen als 'ie er niet meer is,' zegt de moeder. 'Ik mis hem nou al niet, laat staan straks.'

'Hij zei ook altijd dat ik niet zo snugger ben.'

'Ach, je moet die man gewoon laten lullen.'

'Vind jij mij wel snugger, ma?'

'Ja, hoor,' zegt de moeder met een zucht.

'Wat is dat eigenlijk precies, ma, snugger?'

Moeder slaat haar ogen veelbetekenend ten hemel, zonder antwoord te geven op de vraag.

'Ik ga effe een stukkie uit de wind zitten,' zegt ze en schuift haar stoel een beetje naar achteren. 'Ik kan niet tegen die lucht.'

'Was oma ook zo'n raar mens?'

'Nee, dat viel wel mee, maar vreemd was ze wel. Maar je opa schijnt een hang naar zonderlinge figuren te hebben, want na de dood van je oma heeft hij Marie aan de haak geslagen. Ook zo'n aparte.'

Beide vrouwen zwijgen en kijken naar de zieke man.

'Nou,' zegt de vrouw, 'lekker uitzicht.'

'Er kan toch niks gebeuren, hè, ma?'

'Wat zou er moeten gebeuren dan?'

'Nou, dat 'ie opeens overeind springt of zo.'

'Hou toch op, Sjan, die man is dik in de tachtig en bovendien hartstikke ziek. Die springt niet meer zo hard.'

'Ik heb het er niks op, ma.'

'Sjan, hou op alsjeblieft.'

'Ik vind het maar een eng gezicht,' zegt de dochter, terwijl ze vol afschuw naar de man in het bed kijkt. 'Hij ziet er zo raar uit.'

'Wat wil je,' antwoordt de moeder, 'binnen een paar dagen is 'ie dood.'

'Getverderrie, ma, hou op!'

De deur gaat open en de man komt binnen met een dienblad. 'En toen was er drank! Ik heb een pilsje en voor jullie een glaasje wijn. Hier, pak aan. Ik heb ook wat oliebollen en blokjes kaas.' De man kijkt om zich heen. 'Verrek, waar zet ik dat nou allemaal neer?'

'Kom maar hier met die schaal,' zegt de echtgenote. Ze pakt de schaal en zet die vervolgens op de borst van haar schoonvader.

'Getverderrie, ma.'

'Wat nou, dat merkt 'ie toch niet.'

'Nou, proost dan maar,' zegt de man en heft zijn glas. 'Op je gezondheid, pa.'

'Op je gezondheid?' zegt de echtgenote. 'Nou, dan mag je wel héél flink doordrinken.' Ze doet een graai naar de kaas en steekt drie blokjes tegelijk in haar mond.

'Ik kan geen hap door m'n strot krijgen,' zegt de dochter. 'Voor hetzelfde geld is 'ie al dood.'

'Welnee, hij slaapt, dat ziet een blind paard,' zegt haar vader.

'Maar hij ademt helemaal niet,' zegt de dochter, terwijl ze haar oogleden een weinig dichtknijpt en intensief naar haar opa tuurt.

'Ja, hoor, hij ademt,' zegt de vader.

'Ik heb nog nooit een dooie gezien.'

'Alsjeblieft, Sjan! Mijn vader is geen dooie, maar een dode.'

'En net zei je dat 'ie nog ademde.'

'Ik wil graag dat je met een beetje meer eerbied over m'n vader praat.'

'Met eerbied?' vraagt de echtgenote. 'Ach, man, zolang ik je ken heb je op 'm lopen hakketakken. Er deugde nooit wat aan 'm.'

'Klopt,' antwoordt de echtgenoot, 'hij deugt ook voor geen meter. Ik heb nog nooit een greintje gevoel voor 'm gehad. Een ouwe chagrijn is 't.'

'Dat had je dan wel even kunnen zeggen voordat we uit Amsterdam vertrokken. Dan hadden we dat hele eind niet hoeven rijden.'

'Hoe dan ook,' zegt de echtgenoot, 'het is en blijft m'n vader en gelukkig nieuwjaar komen wensen is nooit verkeerd. Ja toch, pa? Die oliebollen zijn trouwens verrekte lekker,' zegt hij tegen zijn echtgenote en neemt nog een hap.

'Volgens mij is 'ie dood,' zegt de dochter, terwijl ze op het puntje van haar stoel gaat zitten, 'hij ademt helemaal niet meer.'

Ze buigen zich nu alle drie over de oude man. De zoon brengt zijn oor naar de geopende mond van zijn vader. 'Ik hoor helemaal niks. Voel eens even in z'n hals,' zegt hij tegen zijn vrouw.

'In z'n hals voelen? Waarom?'

'Dan kun je voelen of z'n hart nog klopt.'

'Nou, nee, dank je feestelijk,' antwoordt de echtgenote.

'Jij dan, Chantal?'

'Wie? Ik? Ik kijk wel uit, ik raak 'm niet aan. Doe 't zelf maar.'

De vrouw neemt nog een paar blokjes kaas en stopt er een halve oliebol achteraan.

'We hadden een hartstikke leuke avond, gisteravond, pa. Lekker vuurwerk afgestoken. Daar hield jij ook van, hè, pa? Weet je nog die keer dat ome Jan een rotje aanstak en dat bij jou in je broekzak stopte. Oké, toegegeven, dat was minder leuk natuurlijk en vooral omdat je de halve nacht bij de spoedeisende hulp hebt gezeten. Gelukkig was je zo lazarus dat het allemaal nogal langs je heen is gegaan.'

'Elluk nadeel hep se foordeel,' zegt de echtgenote, waarbij ze haar Jordanese afkomst niet verloochent.

'Ik wil hier weg,' zegt de dochter, 'ik voel me helemaal niet op m'n gemak met zo'n dooie vlakbij me.'

'Die man is niet dood,' zegt de vader. 'Maar, oké, we gaan wel. Dag pa, hou je goed.'

'Hou je goed,' schampt de echtgenote, 'ik lach me kapot.'

'En nog een fijn nieuw jaar, hè,' zegt de zoon.

'Ach, man, hou toch op met die onzin,' zegt de echtgenote.

De man en de vrouw verlaten het kleine opkamertje. Chantal kijkt naar haar opa, komt schoorvoetend een beetje dichterbij en buigt zich voorover om hem, ondanks haar afkeer, toch nog even goed te bekijken. Op het moment dat haar gezicht vlakbij het zijne is, opent deze zijn ogen en brult opeens keihard: 'Boeh!!!'

Lijkbleek en op trillende benen verlaat ook Chantal het kamertje waar haar opa ligt.

Ja, de opa's van andere kinderen waren altijd veel leuker.

 

© Carl Slotboom.