Home » Verhaaltjes » Visite

VISITE


VISITE

 

‘We krijgen visite’, zei mijn vrouw op een ochtend, ‘morgenavond om acht uur.’

‘Ogod’, was mijn eerste reactie.

‘Ik weet het, ik weet het’, zei mijn wederhelft, ‘maar je kunt niet altijd de deur op slot houden. Ik leef hier ook.’

Het thema visite is al jarenlang een beladen onderwerp hier in huis. Mijn vrouw vindt dat ze af en toe mensen moet kunnen ontvangen, terwijl ik daar heel anders over denk.

Want laten we eerlijk zijn, niet alles wat het leven voor ons mensen in de aanbieding heeft, wordt door ons met enthousiasme omarmt. Het is net als met het eten, we lusten niet elk gerecht, met hoeveel liefde dan ook klaargemaakt. Er zijn, om maar even in de culinaire sector te blijven, twee gerechten die ik slecht verdraag: visite ontvangen en op visite gaan. Het idee dat mensen een hele avond mijn kostbare tijd opsouperen, bezorgt mij, vanaf het moment dat de afspraak gemaakt is, bijna slapeloze nachten. Ik zit daar dagenlang tegenaan te hikken. Ik hou er niet van. Ik kan er niets aan doen. Een tijdje geleden troffen wij een echtpaar. Leuke mensen, leuke gesprekken. Op een gegeven moment zegt die vrouw: ‘Jullie moeten eens een avondje bij ons op visite komen.’

Er gingen onmiddellijk aan alle kanten alarmbellen rinkelen en ik dacht: als ik dit niet meteen de kop indruk hang ik.

‘Nu kan ik wel ja zeggen’, antwoordde ik, ‘maar ik weet nu al dat ik dat niet doe. Ik houd daar niet van.’

Ooit heeft mijn vrouw tegen mij gezegd: ‘Als ik er niet zou zijn, zou je de deur voorgoed op slot doen en als een kluizenaar verder leven.’

Daar zit een grote kern van waarheid in. Misschien dat ik daardoor aangetrokken word door kloosters en de manier waarop haar bewoners leven. Ik zou het niet willen, maar ergens boeit het me mateloos. Nou ja, misschien in een volgend leven dan maar. Wel even mijn atheïsme overboord kieperen natuurlijk, anders ben je in een klooster niet op de juiste plek.

‘Ik heb de nieuwe buren gevraagd’, zei mijn vrouw, ‘je weet wel dat echtpaar dat hier een paar weken geleden is komen wonen.’

‘Misschien willen ze dat helemaal niet. Op visite bij de buren bedoel ik.’

‘Ja hoor, het leek ze hartstikke leuk.’

‘Ja, zou ik ook zeggen, als ik gevraagd werd.’

‘Dat is niet waar, jij zegt ijskoud dat je niet gaat.’

Eén nul voor mijn echtgenote.

‘Maar die mensen wonen helemaal aan het einde van de straat, dat zijn al geen buren meer.’ Ik vond het zelf een uitstekend argument om het bezoek af te blazen.

Mijn vrouw deed er het zwijgen toe.

Het huwelijk is uiteraard geven en nemen. Soms moet de een water bij de wijn doen, dan weer de ander. Zo werkt het nu eenmaal. Ik was nu aan de beurt de wijn aan te lengen. Niets aan te doen.

Klokslag acht uur werd er gebeld.

‘Daar zul je de invasie hebben’, zei ik.

‘Probeer je er even overheen te zetten’, antwoordde mijn vrouw.

‘Even is wel heel eufemistisch geformuleerd’, antwoordde ik. ‘Wie weet hoelang ze blijven.’

‘Kom, we doen open.’

Toen ik de deur opende zag ik in eerste instantie alleen maar een buik van een indrukwekkende omvang. Daarachter bleek een man van middelbare leeftijd schuil te gaan. Zweet parelde op zijn voorhoofd, terwijl hij niet meer dan vijftig meter had moeten lopen. Zo ver was dat nu ook weer niet. Zijn overhemd hing links en rechts boven zijn broekriem en was nagenoeg tot aan zijn navel geopend. Een gouden ketting hing om zijn enorme stierennek. Hij hijgde als een oud paard en had een kop als een boei. Ik hoopte dat hij het hartinfarct, dat ongetwijfeld aanstaande was, niet deze avond zou krijgen.

‘Ik zeg goeiesavonds!’

Het klonk als een dreigement, was niet zo bedoeld. Ik moest even slikken.

‘Ja, ook eh… hallo’, antwoordde ik.

‘Kom binnen’, zei mijn vrouw, die op zulke momenten altijd beschikt over de juiste reactie.

‘Ja, we blijven heus niet op de stoep staan. Wat jij Chantal?’

Verrek, verscholen achter het grote lichaam van de man stond nog iemand. Toen hij over de drempel stapte, kwam ze tevoorschijn. Chantal. Een platinablonde schoonheid, zwaar opgemaakt met een te korte rok en een te laag decolleté. Haar voorkomen was indrukwekkend. Dit zou nog weleens een moeilijke avond kunnen worden, dacht ik bij mezelf. Ik moet er wel goed bijblijven.

‘We hebben een flesje wijn meegebracht’, zei de man, die zich had voorgesteld als Paul, terwijl hij mij een fles overhandigde. Ik kende die wijn. Goedkoop en niet te zuipen.

‘Lekker’, zei ik, ‘precies de wijn die ik graag drink.’

Liegen kan ik als de beste en op een heel geloofwaardige manier. Zonder blikken of blozen. Is een kunst, ik weet het. Mijn vrouw kan dat niet, die is akelig eerlijk. Het is al eens voorgekomen dat ik intens stond te liegen en zij het tegendeel begon te beweren. Zonder opzet, zonder kwade bedoeling, maar ze vertelt nu eenmaal altijd de waarheid.

‘Ga zitten’, zei mijn vrouw. ‘Koffie?’

‘Nee, koffie hebben we thuis al gedronken. Ik lust wel een biertje. Wat moet jij Sjan?’

Hij deelde uit, dat was duidelijk.

‘Doe mij maar een wijntje.’

Mooi, dacht ik, kom ik met goed fatsoen van die wijn af.

‘Twee pils, een wijntje en een koffie’, zei ik.

Mijn vrouw verzorgde de koffie, ik zorgde voor de alcoholische versnaperingen. Rolverdeling binnen het huwelijk noemen ze dat.

Paul bleek in de autobranche werkzaam, had een eigen bedrijf, maar deed er nogal wazig over. Chantal zat op kantoor en deed de administratie voor de zaak.

 

De avond kabbelde voort en Paul bleek een stevige innemer. Ik zag mijn biervoorraad gestaag slinken. Ik vroeg mij af waar hij het allemaal liet. Die man moest ergens een lek hebben, waar het ingenomen vocht gewoon weer uitliep, dat kon niet anders. Chantal wist er ook weg mee. Toen ze aan haar derde wijntje begon, werd ze nogal giechelig. 

Paul wreef vergenoegd in zijn handen, nadat hij het zoveelste pilsje naar binnen had gewerkt. ‘Gezellie mensen, gezellie.’

Wij hadden een heel andere voorstelling van gezellie en ik vroeg mij af hoe mijn vrouw in hemelsnaam op het idee gekomen was deze mensen uit te nodigen. De gesprekken gingen helemaal nergens over, zonde van mijn tijd, die ik zo fijn en nuttig had kunnen besteden.

‘Wonen jullie hier al lang?’

Verdorie, de platinablonde boezem had iets gezegd. Ik lette even niet op. Mijn vrouw wel.

‘Een paar jaar’, antwoordde ze.

‘Mooi huis’, zei ze, terwijl ze mij aankeek. Als een hypnotiseur staarde ik spastisch in haar blauwe ogen, om haar toch vooral niet de indruk te geven dat haar lager gelegen regionen mij mateloos aantrokken. Nee, strak aanstaren leek mij de beste optie.

‘Zo mensen’, zei Paul, nadat hij een oceaanslok bier had genomen en een knallende boer door de kamer liet galmen, ‘en dan nu een mop.’

Ogod nee, dacht ik, alsjeblieft geen moppen. In de meeste gevallen worden deze verteld door mensen die er geen aanleg voor hebben en moet je, om de spreker niet teleur te stellen, uit goed fatsoen lachen. Bovendien begrijpt mijn vrouw de meeste moppen nooit en moet ik ze uitleggen en een mop uitleggen is funest voor de clou.

Paul ging helemaal los. De ene mop na de andere. Chantal gierde het uit en sperde daarbij haar mond telkens zo ver open dat ik de indruk kreeg in een afgrond te staren. Daarbij sloeg ze telkens met beide handen op haar goedgevormde dijen, wat een geklets van jewelste veroorzaakte.

Na de zoveelste mop en het zoveelste gegier van Chantal, hoorden we plotseling ‘krak’. Gedrieën keken we in haar richting. Haar mond stond wagenwijd open.

‘Wat krijgen we nou? vroeg Paul.

Chantal liep rood aan en hapte naar lucht. Haar ogen in paniek wijd open. Ze keek alsof ze allerlei buitenaardse wezens door de kamer zag wandelen.

‘Doe je mond eens dicht Sjan’, zei Paul.

‘A aak ie’, antwoordde deze.

‘Wat zeg je?’

‘Dat gaat niet’, vertaalde ik.

‘Hoe bedoel je? Je kunt die bakkes toch wel dicht doen?’

‘Trismus’, zei mijn vrouw, die in gevallen van lichamelijk ongemak, onmiddellijk met vaktermen begint te strooien. Ooit verpleegkundige geweest.

‘Tris wat? vroeg Paul.

‘Bij een trismus zit de kaak op slot’, legde mijn vrouw uit.

Chantal sloeg links en rechts tegen haar kaken, wat geen enkele soelaas bood. Tot overmaat van ramp begon ze te huilen.

‘Ja zeg, hou effe op met je gejank.’

‘Ze moet hiermee naar de Eerste Hulp’, zei mijn vrouw.

‘Eerste Hulp’, wilde Paul weten, ‘waar is dat goed voor?’

‘Ze kan toch moeilijk zo blijven lopen.’

‘Jij hebt ook altijd iets bijzonders’, zei Paul, ‘het begon juist gezellig te worden.’ Het eerste tegen Chantal, het laatste in onze richting.

‘Ja, heel erg jammer’, loog ik er overtuigend op los.

Paul stond op en sjorde de nog altijd kermende Chantal overeind. Bij de deur draaide hij zich om.

‘Het was een top avond, de volgende keer blijven we wat langer.’

Toen de deur achter het tweetal in het slot was gevallen, vond ik het hoog tijd worden om er het mijne van te zeggen. Voordat ik dat kon, was mijn vrouw mij reeds voor.

‘Je hoeft niets te zeggen, je hebt gelijk.’

Kijk, dat heb ik graag. Gelijk krijgen zonder iets te hoeven zeggen. Hoe komt een mens aan zo’n mazzel.

 

© Carl Slotboom / november 2020

www.carlslotboom.nl