Home » Verhaaltjes » Veren en dooie vis

VEREN EN DOOIE VIS


VEREN EN DOOIE VIS

 

Op een zonnig terrasje, dat behoorde bij een kleine kroeg in het centrum van de stad, bestelde ik een kop koffie.

Ik staarde naar de bedrijvigheid op de gracht. Er voeren rondvaartboten voorbij, fietsers schoten rakelings langs het terrasje en in de verte hoorde ik een sirene, die aanzwol en weer wegstierf. Het bellen van een tram, het carillon, een autoportier dat dichtgeslagen werd. Hoewel het nog voorjaar was, wemelde het al van de toeristen, die, voor de grote hoos zich zou aandienen, het zekere voor het onzekere hadden genomen. Nu was het nog enigszins rustig. Straks, wanneer het seizoen eenmaal begonnen was, kon je over de hoofden lopen.

Terwijl de koffie werd gebracht, ging er naast mij een deur open en een vrouw, die de zeventig al dik gepasseerd moest zijn, verscheen in de opening. Ze keek even om zich heen en toen hetgeen ze zag kennelijk door haar goed gekeurd was, wrikte ze haar corpulente lichaam in het stoeltje dat naast de mijne stond. Het stoeltje zat als gegoten. Beetje strak in de heupen, maar verder eersteklas maatwerk.

‘Hè hè… opoe zit’, zei ze en steunde als een oud paard. ‘En nu eerst koffie.’

‘Lijkt mij een strak plan’, zei ik.

‘Elke dag een kopje koffie en een beetje aanspraak.’

‘Wat wil een mens nog meer’, antwoordde ik.

‘Ik woon hierboven’, zei ze en wees naar de ramen boven de kleine kroeg. ‘Ik ben een vrouw alleen en ik kom elke dag naar beneden voor een kopje koffie. In het begin betaalde ik gewoon, maar op een gegeven moment zei Willem, laat maar zitten tante Toos, je hebt vanaf nu recht op een gratis kopje koffie per dag.’

‘Wat een mooi gebaar’, vond ik.

‘Dus elke dag een kopje koffie en een praatje. Weet je, als je ouder wordt, vallen er steeds meer mensen om je heen weg en raak je meer en meer alleen. Je spreekt steeds minder mensen hè? Aan aanspraak had ik vroeger geen gebrek hoor. Ik heb vijfentwintig jaar met vis op de markt gestaan.’

‘Ja’, zei de kastelein lachend tegen mij, terwijl hij een kop koffie voor haar op het tafeltje neerzette, ‘en als je heel dicht bij haar gaat zitten ruik je het nog. Hè tante Toos, heb ik gelijk of niet?’

‘Ja hoor jongen, je hebt groot gelijk’, zei ze.

‘Ja en elke dag vers hoor.’

‘De koffie?’ vroeg ik.

‘Nee, m’n vis. Zo van de afslag in IJmuiden, verser kon het niet. Maar ja, na vijfentwintig jaar had ik het wel gezien. Elke dag die dooie vissen om je heen die je zo wezenloos aanstaren, komen je op een gegeven moment ook je strot uit, nietwaar?’

Ik kon mij er wel iets bij voorstellen.

‘En nu kijk ik elke dag tegen de kop van Willem aan. Het uitzicht is er niet echt op vooruit gegaan.’

Willem kon er hartelijk om lachen.

‘Maar voordat ze op de markt terecht kwam, danste ze de sterren van de hemel. Heel Amsterdam lag aan haar voeten. Wat heet Amsterdam? Heel Nederland.’

‘Niet overdrijven jongen.’

Willem ging naar binnen en tante Toos vervolgde:

‘Ik was danseres in de beste nachtclub van de stad. Je had me moeten zien met al die veren.’

‘Veren?’ vroeg ik.

‘Ja, wat dacht je dan, een baljurk? Nee hoor, een paar veren in m’n achterste en húp daar ging ik.'

‘Alleen veren?’

‘Het jeukte als de hel en ik maar dansen hè.’

Het was moeilijk voor te stellen dat, deze oudere corpulente vrouw, mannelijke gasten vermaakt had door te dansen met slechts een paar veren aan haar lijf.

‘Maar ja, toen kwam Klaas.’

‘Klaas?’

Klaas Schelvis. Ja, zo heette die niet werkelijk hoor, maar hij stond op de markt met vis, vandaar die bijnaam. Van de nachtclub naar de dooie vissen is een hele overgang, dat kan ik je vertellen.

Er passeerden twee politieagenten.

‘Goedemorgen tante Toos, alles goed met je?’ zei een van hen.

‘Ja jongen, dank je wel.’

Ze wendde zich weer naar mij.

‘Maar om m’n verhaal even af te maken. Ik trouwde met Klaas en verdween achter de kraam. Ik ging als het ware op in de vis. Ik was één met de vruchten der zee, om het zo maar eens uit te drukken. In het begin heb ik nog wel privé dansvoorstellingen voor Klaas gegeven, maar hij plukte telkens de veren eruit. Voordat hij met vis stond, was hij poelier geweest, vandaar hè? Kon geen veer zien of hij begon eraan te trekken.’

Ik zag het helemaal voor me.

‘Op een kwaaie dag is ‘ie doodgegaan. Het was snikheet, de mussen vielen dood van het dak. Klaas ook.’

‘Van het dak?’ vroeg ik verbaasd.

‘Nee, niet van het dak, de mussen wel, maar Klaas gleed gewoon uit z’n stoel. Een boom van een vent, mankeerde nooit wat. In een keer hartstikke dood.’

Ze staarde voor zich uit en slaakte een diepe zucht.

‘Ik heb hem thuis op laten baren. Hartstikke mooi allemaal. Om hem heen had ik allemaal vis gedrapeerd.’

‘Vis?’ vroeg ik, in de veronderstelling dat ik het verkeerd had gehoord.

‘Ja, ik dacht bij mezelf, ik kan er wel bloemen omheen leggen, maar hij was tenslotte visboer en geen bloemenkoopman. En tussen die vis had ik allemaal brokken ijs gelegd. Die hadden we altijd in de vriezer, voor de vis hè? Bovendien was het snikheet en wist ik veel hoelang Klaas goed zou blijven met die hitte.’

Haar blik kreeg iets dromerigs en staarde in het niets.

‘Mooi hoor, heel apart zoals ‘ie erbij lag tussen die dooie vissen en dat ijs. Het was net een grote hors d'oeuvre.’

Toen stond ze langzaam op.

‘Je had me moeten zien met al die veren’, zei ze en verdween achter haar voordeur.

 

© Carl Slotboom / juli 2020

www.carlslotboom.nl