Home » Verhaaltjes » Verdwaald

VERDWAALD


VERDWAALD

Hoewel het bezorgen van kranten weinig perspectief biedt op de maatschappelijke ladder en ik er beslist mijn beroep niet van zou willen maken, is het toch een prima tijdverdrijf. En zo moet u dat ook zien. Je loopt thuis niemand in de weg en je hoeft geen mensen te woord te staan, die het nodig vinden om te bellen en vervolgens ellenlange oninteressante verhalen afsteken waar je allerminst in geïnteresseerd bent. Nee, je bent even uit de sleur en je verdrijft de tijd op een manier die goed is voor hart en bloedva­ten. Kijk, tijd moet nu eenmaal worden verdreven en wanneer je dat doet door daarbij de benen te strek­ken, snijdt het mes aan beide kanten. Voor je het weet is er weer een stukje tijd om en de benen heb­ben hun broodnodige beweging gehad.

Mijn dochter had een krantenwijk. Ze had in het verleden al vissen, hamsters, parkieten en marmotten gehad en toen deze allemaal het leven hadden gela­ten, kwam ze op het idee om kranten te gaan bezor­gen.

Haar ingeving mocht, door haar gebrek aan overmatige werklust en door een chronisch gebrek aan geld, als lumineus worden beschouwd. Minder lumineus was het feit dat ze voor haar daad een tijdstip koos, waarop ze, gezien het komende eindexamen, zich beter had kunnen storten op de leerstof om zodoende haar toekomstige zekerheden vast te leg­gen. Maar goed, je wilt als vader niet voort­du­rend roet in het eten gooien en je juicht het initi­atief hartgrondig toe.

Velen onder ons kennen de grillen van jonge kinderen en mijn dochter vormde hierop zeker geen uitzonde­ring. Net als bij u thuis zou ook zij de hamsterkooi verschonen, de hond uitlaten en de parkiet vangen wanneer hij zou weigeren in zijn kooi terug te gaan. Zou. De praktijk is anders.

Mama voorzag elke week de hamsterkooi van nieuw strooisel, papa liet de hond uit en gezamenlijk ren­den zij achter de parkiet aan, die het als een vro­lijk spel zag en heel erg zijn best deed om zich toch vooral niet te laten vangen. Hij fladderde rond in de veronderstelling ons daarmee een enorm plezier te doen.

Na het vee, kwamen dus de kranten, waarbij, zo rede­neerde ik nagenoeg niets mis kon gaan. Kranten heb­ben geen dierlijke behoeftes, ze dienen alleen be­zorgd te worden.

De eerste woensdag dat dit op het programma stond, belde mijn dochter vanuit de telefooncel in de school. De lessen liepen uit, ze wist niet hoe laat ze thuis zou zijn en vroeg mij de kranten, die voor een bepaalde tijd bij het bezorgcentrum afgehaald diende te worden, even op te halen. Ik had toen al nattigheid moeten voelen. Ik voelde het niet. Nu die kranten toch achterin mijn auto lagen, kon ik ze net zo goed even rondbrengen, redeneerde ik in mijn onschuld. Het was een huis aan huisblad en ik wist precies welke straten op het lijstje stonden. Zo gebeurd en vanaf de volgende week mocht ze het zelf gaan doen.

U begrijpt het al, ik was vanaf het eerste moment de pineut en zou dat nog heel erg lang blijven.

 

Op een van die woensdagmiddagen, ik had net het aantal kranten geteld die voor de flat die aan de beurt was noodzakelijk waren, zag ik hem lopen. Een lange, wat oudere man. Hij liep op een van de gale­rijen en droeg een vuilnisbak met zich mee. Een alledaags tafereel. Temeer daar juist op woensdag het vuilnis werd opgehaald en de lege bak toch weer naar binnen moest. Met de lift ging ik naar de derde verdieping. Ik begon altijd op de bovenste verdie­ping, omdat het neerwaarts lopen me nu eenmaal beter beviel dan stijgen. Je moet het niet overdrijven met de beweging. Toen ik even later op de tweede verdie­ping mijn werk deed, zag ik de man nog altijd lopen met zijn vuilnisbak. Als hij niet aan de praat was gehouden, had hij, gezien de tijd die verstreken was, al meerdere bakken naar huis kunnen brengen. Toen ik hem passeerde en hij mij nogal verdwaasd aankeek, voelde ik dat er iets niet in orde moest zijn.

‘Bent u soms de weg kwijt?’, vroeg ik.

Hij zei iets dat voor mij onverstaanbaar was.

‘Waar moet u zijn? Op welk nummer woont u?’

Aan zijn blik was af te lezen dat hij heel erg zijn best deed de laden der herinnering open te trekken, maar iets in hem vormde een beletsel. Hij behoorde duidelijk tot het soort mensen voor wie bepaalde laatjes nu eenmaal voor immer gesloten zullen blijven.

Achter ons ging een deur open en een corpulente vrouw trad naar buiten.

‘Zo meneer de Boer, weer aan de wandel?’

‘Volgens mij is hij de weg kwijt’, zei ik.

‘Dat is 'ie elke dag’, zei de vrouw. ‘Hij woont op de eerste verdieping op nummer twaalf.’

Ik gebaarde meneer de Boer achter mij aan te lopen en samen togen wij richting de trap, in een soort twee-mans-optocht. Ik voorop met een stapel kranten over mijn arm, daarachter meneer de Boer met zijn vuilnisbak. Omdat meneer de Boer twee keer naar boven liep, terwijl wij toch echt naar beneden moesten, duurde het even voordat we op de eerste verdieping bij huisnummer twaalf aankwamen. Ik belde aan en hield meneer de Boer in de gaten, omdat ik hem ervan verdacht dat hij de pas er weer in zou zetten en op de loop zou gaan. Na enkele ogen­blikken ging de deur open en verscheen mevrouw de Boer.

‘Waar blijf je nou met die bak?’, vroeg ze op een toon die deed vermoeden dat het om de boekenkast ging die beslist niet gemist kon worden, aangezien nu tientallen boeken door de kamer verspreid lagen.

‘Uw man was de weg kwijt’, zei ik.

‘Als 'ie wat beter op zou letten zou dat niet gebeu­ren. Kom naar binnen met die bak’, dit laatste tegen haar echtgenoot die erbij stond alsof hij in de verte bellen hoorde rinkelen. Ze wachtte zijn daden niet af, maar pakte hem resoluut bij zijn arm, trok hem naar binnen en sloot de deur.

Ach, misschien wist ze diep in haar hart wel wat haar man mankeerde. Dit echter erkennen na een ja­renlang huwelijksleven is hard. Ontkennen is zoveel zoeter en brengt minder problemen met zich mee.

 

© Carl Slotboom / eind jaren 1980