Home » Verhaaltjes » Onverwachte ontmoeting

ONVERWACHTE ONTMOETING


ONVERWACHTE ONTMOETING

 

In het gangpad, ter hoogte van de toastjes, de crackers en de rollen beschuit, stond hij ineens voor mijn neus. Een broodmagere man, met een naar verhouding veel te groot hoofd, waarop hij zijn haar, om de kaalheid te verbergen, van het ene oor dwars over zijn schedel naar zijn andere oor had gekamd. Het maakte het alleen maar erger.

Hij sperde zijn ogen wagenwijd open, spreidde zijn lange armen en bulderde door het gangpad: ‘Hoe is het mogelijk!’

Hij keek daarbij zo verbaasd dat ik het bange vermoeden kreeg dat achter mij de tent in lichterlaaie stond. Met een ruk draaide ik mij om. Alles veilig, loos alarm. Toen ik weer voor mij keek, stond de man nog altijd met gespreide armen en staarde mij nog altijd vol verbazing aan. Hij gooide er nog maar eens een ‘hoe is het mogelijk’ tegenaan.

Wat er dan zo onmogelijk was, werd vooralsnog niet vermeld, maar ik vermoedde dat de ontknoping weldra zou volgen, dus besloot ik heel even te wachten op hetgeen zou gaan gebeuren.

‘Niet te geloven dat ik jou hier tref!’ Hij stak zijn arm uit en schudde mij langdurig en hartelijk de hand. Ik had geen idee wie hij was.

‘Is je vrouw er niet?’ vroeg hij.

‘Nou, die is eh… nou, thuis eigenlijk.’

‘Geeft niet kerel, geeft niet, die ontmoeten we een andere keer wel weer. Leuk, leuk, leuk!’

Voordat we al teveel langs elkaar heen zouden gaan praten, leek het mij zinnig wat nadere informatie in te winnen.

‘Kunt u mij vertellen wie…’

‘We gaan toch geen u zeggen hè, ouwe jongen?’ onderbrak hij mij.

‘Nou, nee dat eh…’

‘Tjongejonge… hoe is het mogelijk!’

‘De wonderen schijnen de wereld nog niet uit te zijn’, antwoordde ik, om maar eens iets te zeggen. Het leek me een gepaste conclusie.

‘Dat kun je rustig zo stellen. Jaha… zeg dat wel! Gerda zal er van omvallen.’

Gerda. Ik wist al niet wie de man was, laat staan wie Gerda dan wel mocht zijn. Zijn vrouw wellicht.

‘Ah, daar is ze’, zei hij. Op de hoek bij de specerijen kwam een kleine gedrongen vrouw het gangpad in. Ze was even lang als breed, wat haar een wat vierkantig figuur gaf. Borsten en buik vormden één grote massa, die nadrukkelijk aanwezig was. Ze kwam nauwelijks boven het winkelwagentje uit. Ze had een nek als een dokwerker, met daarboven een hoofd, waaronder ik bij de eerste telling vier onderkinnen zag bengelen. Haar kapsel was gemillimeterd en op haar arm droeg ze een tatoeage waarvan de strekking mij niet geheel duidelijk was. Het leek op een onderzeeër.

‘Wie denk jij dat ik tegen het lijf loop Gerda?’ zei de man, terwijl hij in mijn richting wees. ‘Is dat een verrassing? Ja of ja?’

Gerda keek mij een ogenblik aan, sperde vervolgens haar ogen en mond wagenwijd open en sloeg van louter verbazing haar beide handen voor haar gezicht. Ze vergat daarbij dat ze een doos eieren droeg. Ze deed nog een vergeefse greep in het luchtledige, maar het mocht niet baten. De doos viel met een klap op de grond.

‘Hoppela’, zei haar echtgenoot op een toon, die deed vermoeden dat vrouwlief een paar keer per week een doos eieren uit haar handen liet vallen en hij er inmiddels aan gewend was geraakt. ‘Dat waren de eieren’, voegde hij er overbodig aan toe.

Ook Gerda scheen er niet van onder de indruk te zijn. Ze stapte dwars door de smurrie op mij af, greep mij bij mijn overhemd en trok mij naar beneden. Achter in mijn hoofd hoorde ik ‘knak’. Toen ze mij ter hoogte van haar gezicht had getrokken, begon ze mij hartstochtelijk op beide wangen te zoenen. Haar baardstoppels prikten in mijn gezicht. Ik stond een ogenblik te duizelen.

‘Lekker hè?’ zei haar echtgenoot, ‘dat steek je toch maar mooi weer in je zak… bofkont!’

‘Ja’, zei ik, naar lucht happend, terwijl ik de kreukels links en rechts gladstreek.

‘Weet je wat?’ zei de man. ‘Wij gaan dit vieren. Moet je nog meer boodschappen doen?’ Het vieren tegen mij, de boodschappen tegen zijn echtgenote.

‘Ik ben klaar’, antwoordde deze.

‘En jij, ouwe jongen. Is dat zakkie snijbonen het enige dat je moet hebben of moet je nog meer inkopen?’

‘Eh… nee’, zei ik aarzelend, terwijl ik naar het zakje bonen staarde dat ik in mijn hand hield. ‘Ja, dit is het enige, meer heb ik niet nodig.’

‘Hiernaast heb ik een terrasje gezien en daar gaan wij eens even piekfijn een pilsje drinken. Wij hebben na al die jaren heel wat bij te praten. Ja toch Ger?’

‘Geef hier die snijbonen’, zei deze en trok mij resoluut het zakje uit mijn hand. Ze deponeerde het in haar winkelwagentje. ‘Die zijn voor mijn rekening’.

‘Gerda geeft een rondje’, zei haar man lachend, ‘een rondje snijbonen.’

In ganzenpas begaven wij ons naar de kassa. Gerda strijdvaardig voorop, daarachter haar man die nog altijd zijn verbazing niet te boven was. Ik sloot de gelederen, niet wetende hoe en welke kant het opging, maar ik wilde tenslotte in de buurt van mijn snijbonen blijven.

Eenmaal buiten stevende het tweetal linea recta af op het naastgelegen terras. Gerda wurmde zich met gekreun en gesteun in een stoeltje, dat haar eigenlijk te klein was en haar echtgenoot gebaarde mij tegenover hem te gaan zitten. Bij de kelner bestelde hij drie biertjes. Intussen groef ik als een bezetene in mijn geheugen. We worden allemaal een dagje ouder en soms vallen er gaten in de grijze massa. Met geen mogelijkheid kon ik het tweetal een plek in mijn leven geven.

‘We hebben het nog regelmatig over je, ouwe jongen.’

Hoewel ik het tijd vond duidelijkheid te scheppen, hield ik desondanks mijn mond. Het leek mij niet zo aardig de euforie, waarin het echtpaar verkeerde, wreed te verstoren. Bovendien had hij mij zojuist getrakteerd op een biertje en had zij mijn snijbonen betaald. Ik stond diep in het krijt.

‘Je had haar maar wat graag gehad hè?’

Ik begreep even niet zo snel wie ik maar wat graag had willen hebben, maar na een knipoog naar mij en een hoofdknik naar zijn vrouw, was mij duidelijk dat ik achter zijn echtgenote aan had gezeten.

‘Je was helemaal ondersteboven van haar. Elke keer als je haar zag kleedde je haar met je ogen uit.’

Toegegeven, ik vertoon soms vreemde neigingen, maar wist beslist heel zeker dat ik mij aan deze bezigheid allerminst schuldig had gemaakt en zeker niet met Gerda.

‘Maar ja, je durfde haar niet te vragen hè?’

‘Is dat zo?’

Ik hoorde zelf dat het lullig klonk, maar het was eruit voordat ik er erg in had.

‘En wie had uiteindelijk het geluk met haar in het huwelijksbootje te mogen stappen? Ik zei de gek.’ Hij glunderde van oor tot oor. ‘En zeg nou eens heel eerlijk ouwe jongen, ben ik een geluksvogel, ja of ja?’

‘Eh… ja…’, antwoordde ik.

‘Nog altijd een schoonheid, dat zie je wel.’

Ik zag het niet, maar het leek me beter dat maar niet te vermelden.

‘Speel je nog accordeon?’

Het werd steeds fraaier. Accordeon, het idéé. Ik had van mijn leven nog nooit een accordeon vastgehad. Het enige instrument dat ik bespeelde was radio.

‘Nou, eigenlijk niet eh…’

‘Mooi zo, daar is de wereld heel erg mee geholpen. Ja toch Ger?’

Gerda schoof heen en weer in haar stoeltje en trok een wat benauwd gezicht.

‘Je kon geen noot spelen, je knoeide maar wat aan. Je vader deed altijd de deur van de bakkerij dicht als hij je hoorde klungelen op die trekkast.’

Bij mijn weten was mijn vader boekhouder en had hij nooit een bakkerij bezeten.

‘Nee, dat zeg ik, er is geen muzikaal genie aan jou verloren gegaan. Heb ik gelijk of niet Ger?’

‘Ik zit vast’, zei deze.

‘Wat bedoel je, ik zit vast?’

‘Precies zoals ik het zeg. Ik zit vast in die stoel, ik kom er niet uit.’

‘Oh… nou krijgen we dat’. Het klonk niet enthousiast.

‘Die stoeltjes zijn veel te klein. Ik zit muurvast.’

‘Ga eens staan dan.’

Gerda stond op maar dat bracht geen soelaas, de stoel kleefde als een soort naar beneden gezakte rugzak aan haar achterste.

‘Kom hier dan trek ik dat ding van je af. Help eens even mee Willem’, dit laatste tegen mij.

Ach… dat was het probleem, deze beide mensen verwarden mij met ene Willem. Ik moest een dubbelganger hebben. Dit moest even rechtgetrokken worden.

‘Het eh… het spijt me, maar ik heet geen…’

‘Niet lullen, maar poetsen!’ zei de man. ‘Gerda kan toch moeilijk met die stoel aan haar achterwerk naar huis. Kom op, trekken!’

De onfortuinlijke had intussen haar forse achterste naar ons toe gekeerd, terwijl wij vervolgens met geweld de stoel van haar omvangrijke derrière af probeerden te trekken. Het ding was echter inmiddels zeer aan haar gehecht geraakt en was niet van zins haar te verlaten.

‘Jij hebt ook altijd wat’, zei de echtgenoot geïrriteerd. ‘Je hebt een te dikke reet!’

Het leek mij verstandig om het slagveld maar te verlaten.

‘Ik eh… ik moet er nodig weer vandoor’, zei ik. ‘Ik vond het heel erg leuk jullie weer eens te ontmoeten.’

Daarop verliet ik het terras en beende de winkelstraat in.

‘Je vergeet je snijbonen Willem’, riep Gerda mij achterna, terwijl ze voorovergebogen stond met de stoel nog altijd vastgekleefd aan haar achterwerk. Het leek een circusact. Even voelde ik de neiging in mij opkomen om te zeggen dat ik Willem niet was en dat ze mij verwarden met iemand die naar alle waarschijnlijkheid op mij leek. Ik deed het niet, het was al gecompliceerd genoeg.

‘Laat maar’, riep ik.

Op de hoek van de straat draaide ik mij om. Haar echtgenoot sjorde nog steeds aan de stoel. Het zou ongetwijfeld nog een hele klus worden.

 

© Carl Slotboom / augustus 2020

www.carlslotboom.nl