Home » Verhaaltjes » Kunstgebit

KUNSTGEBIT


KUNSTGEBIT

 

Bij de plaatselijke boekwinkel werd ik aangesproken door een echtpaar van middelbare leeftijd, dat het al jaren met elkaar had volgehouden. Eigenlijk was zij degene die mij aansprak, hij beperkte zich tot het zijn van echtgenoot op de achtergrond.
Zij leek mij een frequente klant van de Wereldwinkel, hij een man die in de meeste dingen geen heil meer zag en berustte in zijn lot. Hij stond er wat sullig bij, geheel in de schaduw van zijn echtgenote, die een struise verschijning was. Hij peuterde in een zakje dat gevuld was met dropjes. Na zorgvuldig zoeken had hij de ware gevonden en stopte deze in zijn mond.
‘Ach, wat ontzettend leuk dat ik u nu eens in levende lijve ontmoet’, riep de vrouw mij toe, over de tafel die gevuld was met literaire romans. Ze kwam op mij af en zette mij klem tussen de reisboeken en de thrillers. Ze scheen mij te kennen, zij het dan niet in levende lijve, dat was vandaag de primeur.
‘Gunst, u ziet er in het echt heel anders uit.’
Ik scheen verschillende gezichten te hebben. Nu hebben meerdere mensen daar last van, maar de kwalificatie is in veel gevallen niet erg gunstig.
‘Zo zie ik er altijd uit’, zei ik ‘het spijt me.’
‘Zo, zonder schmink bedoel ik. Ja, héél anders.’
Ook dat nog, ik liep kennelijk bij tijd en wijle geschminkt over straat. Een eigenschap waar ik mij niet bewust van was en die mij in hoge mate verontrustte.
‘Ik kijk altijd naar uw programma op de teevee’, ging ze onverstoord verder, ‘ik ben een echte fan van u.’
Het is fijn om fans te hebben. Fans vinden je doorgaans aardig en wie wil er nu niet aardig gevonden worden? Ik kan mij echter niet herinneren ooit met mijn gezicht voor de teevee verschenen te zijn. Ze verwarde mij kennelijk met iemand anders.
‘Het spijt me mevrouw, maar ik…’
‘Kijk eens Albert, wie we hier hebben?’ dit tegen haar echtgenoot.
Albert trok een wat vreemd gezicht, er zat hem iets dwars, dat was duidelijk.
‘Er heeft mhuw zich een dropje vacuüm gesjozogen tegen het gejehemelte van mijn gebit’, zei hij, terwijl hij verwoede pogingen met zijn tong deed om het ding los te krijgen.
‘Hè Albert, hou even op met je gezeur. Mijn man heeft een kunstgebit’, het eerste tegen Albert, het laatste tegen mij.
‘Oh’, zei ik en probeerde zo meewarig mogelijk naar Albert te kijken. Als hij dan geen steun van zijn vrouw kreeg, dan zou hij in ieder geval aan mij merken dat ik het hele gebeuren uiterst vervelend voor hem vond.
‘Albert kijkt ook altijd naar uw programma. Ja toch Albert?’
‘Mwemmeme’, klonk het, terwijl hij nog steeds bezig was het dropje van zijn gebit los te weken.
‘We gaan er echt voor zitten. Albert ook hoor.’
‘Mhuwem’, klonk het weer.
‘Eigenlijk zou u Albert eens in uw programma uit moeten nodigen. Hij is van alle markten thuis. Hij kan echt overal over meepraten.’
‘Ik zal erover nadenken’, zei ik. Ik vind dat je nooit iemand op voorhand uit moet sluiten en misschien bracht Albert wat sjeu in de zaak.
‘Je kunt het zo gek niet bedenken of Albert weet er iets over te vertellen. U zou makkelijk het hele programma met hem alleen kunnen vullen. Hij is net een wandelend woordenboek.’
‘Ensjicyclowhmpedie’, zei Albert.
‘Wat zeg je?’
‘Encyclopedie’, vertaalde ik. Ze luisterde niet.
‘Hou nou toch eens even op met je gepeuter Albert. Jij bent maar druk met je gebit, terwijl wij hier oog in oog staan met eh… kom, hoe eh… nou, ik ben het even kwijt. Ik ben helemaal van mijn à propos nu ik u zo in levende lijve voor me zie’, dit laatste weer tegen mij.
Ik noemde mijn naam.
‘Welnééé’, tetterde het door de boekwinkel, ‘zo heet u helemaal niet!’
‘Oh’, zei ik, even in verwarring gebracht. Als je al niet weet dat je verschillende gezichten hebt en af en toe geschminkt over straat gaat, zou het heel goed mogelijk zijn dat je zelfs je naam niet meer weet. Het leek mij heel zinnig om binnenkort maar eens een arts te raadplegen.
‘Nee, u heet eh… Kom Albert, zeg jij nu ook eens wat.’
‘Mweeft’, zei Albert weer.
‘Typisch! De hele dag klets je me de oren van mijn hoofd en als ik wil dat je iets zegt maak je vreemde geluiden.’
‘Dat komt omdat hij…’, zei ik, maar de vrouw gaf mij de gelegenheid niet om mijn zin af te maken.
‘Altijd haantje de voorste, altijd de lolbroek uithangen, altijd het hoogste woord en nu ik helemaal ontdaan ben van uw aanwezigheid en zijn hulp even nodig heb, geeft meneer niet thuis. Nee, bij anderen de pias uithangen, maar mij hier voor schut zetten!’
Omdat ik voelde dat dit een vervelende wending zou gaan nemen en ik toch graag in de toekomst zonder blaam mijn boekwinkel zou willen bezoeken, deed ik nog maar eens een poging.
‘Mevrouw, ik ben werkelijk niet degene…’
‘Nee, dat zijn de meeste mannen niet. Als puntje bij paaltje komt dan zijn ze werkelijk niet degene!’
Het sloeg nergens op.
‘U verwart mij met…’, probeerde ik het nog maar eens.
‘En nu heeft u ook nog de brutaliteit mij verward te noemen. Ik dank u vriendelijk!’
Albert had zich inmiddels teruggetrokken tussen de kinderboeken en was min of meer uit het zicht verdwenen.
‘Nee mevrouw, u begrijpt mij verkeerd, ik bedoel te zeggen…’
‘Oh… en nu begrijp ik u ook nog verkeerd! Het wordt steeds fraaier. Maar ik zal ú eens wat zeggen. U gedraagt zich in het echt al net zo als op de teevee. Vooringenomen, arrogant, met de vervelende eigenschap dat u mensen nooit uit laat praten. Altijd zelf aan het woord!’
Ze kwam nu vlak voor mij staan en zei, terwijl ze mij met haar vinger onophoudelijk tegen mijn borstkas prikte: ‘Altijd maar ik, ik en nog eens ik!’
Daarop draaide ze zich om en liep met grote passen geïrriteerd naar de uitgang. Albert, die inmiddels het dropje los had weten te peuteren, hield mij het zakje voor.
Ik bedankte hem vriendelijk. Ik heb namelijk ook een kunstgebit.

 

© Carl Slotboom / juni 2020
www.carlslotboom.nl