Home » Verhaaltjes » In een Amsterdamse kroeg

IN EEN AMSTERDAMSE KROEG


IN EEN AMSTERDAMSE KROEG

 

‘Weet je wat ik nou zou willen?’ zei de vrouw, die naast mij aan de bar van het kleine kroegje zat, met een onvervalst Amsterdams accent.

Ik wist het niet. Hoe moest ik ook, ik zag haar voor het eerst.

‘Gewoon een recht toe, recht aan leventje.’

Ze slaakte een diepe zucht en staarde glazig voor zich uit, alsof in de verte het recht toe recht aan leventje zich voor haar geestesoog ontvouwde.

Ik schatte haar eind veertig. Mollig, met aangename rondingen, die moeder natuur allemaal op de juiste plek had gesitueerd. Ze had haar forse boezem gemakshalve op de toog gelegd en ze nipte aan een glaasje, waarin een drankje van een onbestemde kleur. Ze was gekleed en opgemaakt alsof ze klaar stond om een goochelaar zijn rekwisieten aan te geven en daarbij wulpse bewegingen te maken.

‘Aan mijn lijf geen polonaise meer.’

Ik bestelde nog een pilsje, in afwachting van hetgeen er zou volgen.

‘Neem nou Alie.’

‘Wie is Alie?’ vroeg ik.

‘Haar zuster’, zei de man achter de tap, die het verhaal naar alle waarschijnlijkheid al tig keren had gehoord. Hij keek verveeld voor zich uit met een blik van: daar gáán we weer.

‘Ja, mijn zuster’, ging de vrouw verder. ‘Die heeft een keurige man ontmoet, woont nu in een keurig huis, in een keurige straat, in een keurig dorp. Kijk, en dat zou ik nou ook wel willen.’

‘Dat is toch helemaal niks voor jou Gré’, zei de kroegbaas, terwijl hij een pils voor mij neerzette en met een doek de toog droog veegde. ‘Op je blote knieën zou je terugkruipen.’

‘Ach welnee, hoe kom je daar nou bij?’

‘Ik ken je toch’, zei de kastelein, die kennelijk zijn gelijk wilde halen. ‘Jij kunt niet buiten dit vak, je bent ermee vergroeid.’

Ze barstte in lachen uit. Een lachen met een trieste ondertoon.

‘Vergroeid? Ammehoela!’

De beroepsgroep waarin de dame werkzaam was, het vak waarmee ze vergroeid was, liet zich raden.

‘Kijk’, wendde Gré zich weer naar mij, ‘Alie zat ook in het vak en had er op een gegeven moment schoon genoeg van. Op een druilerige dag loopt ze die man tegen het lijf. Ja, vraag mij niet hoe het kan, want hij ziet er niet uit. Kaal en zo mager als de dood van Ieperen. Maar op ieder potje past een deksel en hij zal wel kwaliteiten hebben die aan de buitenkant niet zichtbaar zijn. Dat kan toch?’

‘Dat kan’, zei ik.

‘Ik zeg nog, Aal, waar kom je me nou mee aan? Wat is dit voor gedrocht? Toen heeft ze me twee maanden niet aangekeken. Kan ik me wel iets bij voorstellen, ik had het iets netter uit kunnen drukken. Maar afijn, het is weer goed gekomen en nu woont ze met hem samen ergens achter het krantenpapier in Friesland.’

‘Mooi wonen’, zei ik, ‘in Friesland.’

De kastelein was erbij gaan zitten en bladerde verveeld door een tijdschrift dat voor hem op de toog lag. Hij had in al die jaren, dat hij het café runde al zoveel verhalen gehoord, het ging het ene oor in en het andere weer uit. Horen, zien en zwijgen, zoals een goed kastelein betaamt.

‘Wat gebeurt mij nou een paar weken geleden?’

Ik had geen idee.

‘Ik had me lekker opgemaakt, een leuk rokkie aangetrokken en húp ik de trein in naar het verre Friesland. Ja, ik had haar niet gezegd dat ik kwam hoor, het moest een verrassing worden.’

‘En werd het dat?’ wilde ik weten.

Ze antwoordde niet, maar ging onverstoord verder.

‘Afijn, ik bel aan en die slome duikelaar, haar man dus, doet de deur open. Hij kijkt me aan en het eerste dat hij zegt is: wat krijgen we nou? Ik zeg, ja, ook goedemiddag. Ik kreeg meteen de pest in op die zak. Hij bekeek me van top tot teen en ik kreeg zomaar de indruk dat mijn verschijning niet paste in zijn boekhoudersleventje. Is Alie thuis, vroeg ik? Nee, die was even boodschappen doen. Mooi, zei ik, dan wacht ik wel en ben naar binnen gestapt.’

Ik zag het helemaal voor me. Ik bestelde nog een pils en liet voor Gré ook maar even bijtappen.

‘Binnen zat een vreemde vrouw. Dat is de buurvrouw, zei die Jan Hen, zij wacht ook op Alie. Nou, dan wacht ik maar mee zei ik en ging tegenover dat mens zitten. Mijn zwager stond er een beetje lullig bij en is uiteindelijk ook gaan zitten. Op het puntje van de stoel. Hij scheen zich niet erg op zijn gemak te voelen, maar daar trok ik me niets van aan. Ik raak een beetje in gesprek met die buurvrouw. Vraagt ze opeens of ik ook directiesecretaresse ben, net als mijn zuster. Ik zeg… Alie??? Directiesecretaresse??? Ja, zegt die vrouw, voordat ze met Guus trouwde. Ik hoorde het in Keulen donderen, maar ik denk, ik zeg mooi niks. Die muffe muts bekijkt mij van onder tot boven en vraagt met een heel vilein lachje en op zoetsappige toon: en, wat doet u voor de kost?’

De kastelein sloeg zijn tijdschrift dicht, stond op en begon glazen af te spoelen. Het werk gaat gewoon door, ook in een café.

‘Ik denk, ik zal jou wel krijgen. Ik zeg dus: wat ik voor de kost doe? Ja, zegt die dorpstroel. Nou, zeg ik, ik werk als naaister. Je had d’r moeten zien. D’r bek viel open, tot aan d’r navel. Naaister, vraagt ze? Ik zeg ja, ik heb een eigen naaiatelier. Gôh, zegt ze. Ik weer: Oh oh oh… we naaien wat af. Ik heb haar verder niet meer gehoord. Kijk, als ze niet zo geniepig had zitten lachen, had ik wel een ander beroep verzonnen.’

De deur zwaaide open en in de opening stond een forse man, die met luide stem riep: ’En Kees, kan ik er nog een verdragen?’

‘Nee’, zei Kees, ‘je zit vol, kom morgen maar terug.’

‘Ach lazer op’, klonk het tussen de deurposten. Daarop deed de man de deur aan de buitenkant dicht en voor het raam aangekomen, tikte hij met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd.

‘Dat is heel wat anders dan directiesecretaresse, zegt die Jan Pierelala, directiesecretaresse is een heel ordentelijk beroep. Ordentelijk, hoe kom je op het woord?! Ik denk bij mezelf, dit is een schot voor open doel, die knal ik erin. Ik zeg dus, dat kan allemaal wel zijn, maar uiteindelijk heeft ze haar opleiding in het naaiatelier gehad. Pardon?! zegt die slome, wil je mij gaan vertellen dat… Hij liep rood aan en kokhalsde naar lucht. Ja, zeg ik, wist je dat niet? Nee, dat wist hij niet, de zak. Ik wil dat je gaat, zegt ‘ie opeens, nu meteen. Ja hoor, zeg ik, geen probleem. Nog veel plezier met de buurvrouw. Zat ik een uur later weer in de trein, nu de andere kant op. De volgende dag belt m’n zuster op, vanaf een hotelkamer. Die slome duikelaar had haar eruit gemieterd. Die trut had hem al die tijd wijsgemaakt dat ze directiesecretaresse was geweest. Ik wil niet met een hoer onder één dak leven, had hij gezegd en ze kon gaan. Wat is er nou mis met een hoer? Het is het oudste beroep ter wereld en een beroep dat al zo oud is, zal toch wel ergens goed voor zijn? Ja toch?'

Ze keek dromerig voor zich uit.

‘Maar zo’n recht toe recht aan leventje zou ik ook wel willen… soms.’

 

© Carl Slotboom / juli 2020

www.carlslotboom.nl