Home » Verhaaltjes » Huwelijk in vijfvoud

HUWELIJK IN VIJFVOUD


HUWELIJK IN VIJFVOUD

 

Wij gaan trouwen, stond voorop de kaart. Ik had onmiddellijk een bang vermoeden en toen ik de kaart opensloeg wist ik dat mijn vermoeden juist bleek te zijn.

Jeroen en Marit hebben de knoop doorgehakt en zullen op zeven juli in het huwelijk treden, stond er in een zwierig lettertype. De zoveelste knoop die door Jeroen doorgehakt werd, want dit zou zijn vijfde huwelijk worden. Je zou kunnen zeggen dat Jeroen een meester in het doorhakken van knopen was en dan met name de huwelijksknopen. Hij hakte er dus behoorlijk op los.

Ik had geen idee wie Marit was, ik had nog niet de eer aan haar voorgesteld te zijn, maar dat zou op zeven juli veranderen. Jeroen was een losbandige kennis, die in een ver verleden gekozen had om de toneelschool te bezoeken. Vanaf de eerste dag dat hij daar zijn entree maakte, liet hij zijn haar groeien, droeg kleurige hemden en behing zich met sjaals in allerlei soorten en maten. Hij liet foto’s van zichzelf maken en deelde deze, inclusief zijn handtekening, uit aan het vrouwelijke geslacht, met de mededeling de foto heel goed te bewaren, aangezien de wereld nog van hem zou horen. Jeroen werd van alles, behalve acteur. Hij was achtereenvolgens stratenmaker, glazenwasser, vertegenwoordiger en klusjesman.

‘Mijn tijd komt nog wel’, zei hij, ‘de mensen zijn nog niet rijp voor mijn kunstenaarsschap.’

Hij geloofde er zelf in en zo hoort het ook. Wie niet gelooft in zichzelf, kan moeilijk verwachten dat een ander je serieus neemt. Het acteurschap verkeerde nog even in de slaapstand, maar zou spoedig ontluiken als een bloem in de ochtendzon.

De zaal was goed gevuld toen ik op de middag van de zevende juli arriveerde en in een hoek speelde een driekoppig bandje.

Je kunt van Jeroen zeggen wat je wilt, maar uitpakken was een van zijn specialiteiten. Bij elk huwelijk dat Jeroen aanging, werden er meer gasten uitgenodigd. Bij elk huwelijk ook kreeg hij er familieleden bij en na elke scheiding kregen die gemakshalve bij de volgende plechtigheid een kaart en konden, indien zij dat wensten, aanschuiven. Dat lieten zij zich niet nemen, want wij Nederlanders zijn nu eenmaal een volkje dat in de voorste gelederen staat als iets gratis aangeboden wordt. Het werd zodoende telkens één groot treffen van vrienden, buren, ex familieleden en nieuwe aanwas.

Tussen de vele mensen zag ik hem staan en naast hem zijn nieuwbakken echtgenote. Hij begroette mij met een zwier en allure die op het grote toneel beslist niet zou misstaan, vooropgesteld dat het grote toneel belangstelling voor hem had en dat was vooralsnog niet het geval.

‘Mag ik je voorstellen aan Marit?’ zei hij en gebaarde naar zijn bruid.

‘Leuk u te ontmoeten’, zei ik, terwijl ik haar een enveloppe met inhoud overhandigde, ‘van harte gefeliciteerd.’

‘Spaar je de moeite ouwe jongen, ze is Zweedse en spreekt geen spat Nederlands.’

‘Spreek jij Zweeds dan?’ vroeg ik.

‘Nee’, antwoordde hij, ‘moet dat dan?’

‘Nou, het zou de zaak wat vereenvoudigen’, zei ik.

‘Och, alles went.’

‘Maar hoe communiceren jullie dan met elkaar?’

‘Wij communiceren niet’, zei Jeroen, ‘wij houden ons met hele andere dingen bezig. Dingen waarbij elke communicatie overbodig is en storend zou kunnen zijn.’

Het leek een uit het hoofd geleerde toneeltekst.

Ik bekeek de bruid nog eens aandachtig en het beeld dat ik had van blonde Zweedse schoonheden, was niet op haar van toepassing. Eerlijk gezegd vond ik haar oerlelijk en ik voorspelde dat het zesde huwelijk aanstaande was. Er zou een dag komen dat de verliefdheid de scherpe kantjes verloren had en Jeroen met beide benen op de grond zou zetten. Voorlopig zou hij het met nummer vijf moeten doen.

‘Neem het ervan ouwe jongen, je kent inmiddels de weg’, zei hij, met een veelbetekenende vette knipoog. Ja, de weg kende ik inmiddels. Hoewel Jeroen een meester was in het wisselen van bruiden, legde hij minder fantasie aan de dag met het kiezen van de locatie waar het feest werd gegeven. Ook nu weer hetzelfde zaaltje als bij de vorige vier huwelijken. De bar was dan ook snel gevonden en nog steeds werd deze bestierd door dezelfde barman, die, op het moment hij mij zag naderen, een koud pilsje voor mij tapte. Ouwe jongens, krentenbrood.

Toen ik aan mijn derde biertje was begonnen, kwam er een dame van middelbare leeftijd op mij af. Ze lachte beminnelijk en wat bleef mij over dan beminnelijk terug te lachen. Nu ben ik altijd wat argwanend tegen oudere dames die mij beminnelijk toelachen, voordat je het weet willen ze verkering met je.

Ze nam plaats op de kruk naast de mijne en de barman schonk haar een drankje in dat een onbestemde kleur had, dat je als limonade wegdronk en waar je naar alle waarschijnlijkheid heel erg dronken van kon worden. Ze sloeg hem in een keer achterover en schoof het lege glas een stukje naar voren, ten teken dat er weer bijgetankt kon worden.

‘Lekker?’ vroeg ik.

Ze keek me niet begrijpend aan.

‘Volgens mij is het familie van de bruid’, zei de barman.

‘Dat is een Zweedse’, antwoordde ik.

‘Ja, zij ook, denk ik.’

Opeens richtte ze het woord tot mij met prachtige volzinnen, met daarin veel ge-ö en ge-å.

Nu zit Zweeds niet echt in mijn pakket en na twee pilsjes werkt mijn talenknobbel sowieso niet meer zoals ik dat graag zou willen. Ik haalde mijn schouders op en probeerde dat zo Zweeds mogelijk te doen, maar wel zo, dat ze zou begrijpen dat ik er niets van snapte.

‘Åhå’, zei ze, wat ik onmiddellijk vertaalde in aha. Misschien was het Zweeds toch niet zo ingewikkeld als ik dacht.

‘Ai em ze modder’, zei ze.

‘Wat zegt ze?’ vroeg ik de barman.

‘Ai em ze modder’, antwoordde deze.

‘Ja, grappenmaker, dat versta ik ook wel. Maar wat betekent het?’

‘Ze is de moeder’, antwoordde hij weer. ‘Ik neem aan de moeder van de bruid.’

‘Oh’, zei ik en begreep dat ze opeens uit het Engelse vaatje begon te tappen, ‘joe aar ze modder?’

‘Yes’, kirde ze en klapte daarbij kinderlijk in haar handen. ‘Yes, yes, yes!’

Dit beloofde een interessante conversatie te worden, maar ik betwijfelde of het me allemaal veel wijzer zou maken.

‘Joe wont dens wiz mie?’ zei ze, terwijl ze het tweede glas achterover sloeg.

Dansen nog wel, ik moest er niet aan denken.

‘No, senk jou’, antwoordde ik en moest constateren dat het Engels me vrij goed afging. Aan de uitspraak zou ik nog wat moeten sleutelen, maar een kniesoor die daar op zou letten en de Zweedse al helemaal niet.

‘Wai not?’

Ik heb vroeger een kennis gehad en als hij gevraagd werd voor een dans, zei hij steevast: ‘Ik dans niet om religieuze redenen.’ Hij had het zelf verzonnen, maar het werkte altijd. Ik besloot het eenvoudiger te houden.

‘Ai em tairet’, antwoordde ik en hoopte dat daarmee de kous af was. Het leek er niet op.

‘Oh boj’, was haar reactie en ze streelde daarbij mijn wang. Ze keek me glazig aan, met verontrustende lichtjes in haar ogen.

‘Kijk maar uit’, zei de barkeeper, terwijl hij haar weer bijtapte, ‘mijn broer Jim kreeg sjans aan een Canadese. Nu hakt hij in donkere bossen hele hoge bomen om. Op z’n knieën wil ‘ie wel naar Nederland. Maar ja, hij is ’s avonds kapot van dat gehak.’

‘Ai lif in ze hotel for wan wiek’, zei ze, terwijl ze het derde glas naar binnen sloeg.

‘Als ze in dit tempo doorgaat dan glijdt ze binnen no time van haar kruk’, zei de barman, ‘dat spul is zo sterk als kerosine. Kun je een vliegtuig urenlang mee in de lucht houden.’

De Zweedse modder kwam nu gevaarlijk dichtbij en fluisterde in mijn oor: ‘Kum wiz mie.’ Ze sloeg haar armen om mijn nek en haar mond was nu vlakbij de mijne en hijgde sensueel in mijn gezicht. Ik voelde aan m’n water dat dit, wanneer ik niet in zou grijpen, helemaal de verkeerde kant op zou gaan. De beste oplossing leek mij de aftocht. Ik stond op en zij met mij. Haar armen nog steeds om mijn nek. Ze was schijnbaar al zeer aan me gehecht.

‘Kum wiz mie,’ fluisterde ze nog een keer. Opeens draaide haar ogen weg, verslapte haar greep en in slowmotion gleed ze naar beneden en bleef onderaan de bar liggen.

‘Pilsje nog maar?’ vroeg de barman.

 

© Carl Slotboom / juni 2020

www.carlslotboom.nl