Home » Verhaaltjes » Het nieuwe normaal

HET NIEUWE NORMAAL


HET NIEUWE NORMAAL

‘Kijk’, zei de ietwat sjofele man die tegenover mij stond, ‘het hangt me zo langzamerhand de strot uit.’

Hij keek mij daarbij aan met een blik, waarin te lezen viel: heb ik gelijk of niet?

‘Ja’, antwoordde ik niet erg vindingrijk, maar het was het enige antwoord dat mij te binnen schoot.

‘Niet gewoon’, ging hij onverstoord verder, ‘nee, mijlenver.’

Hij sprak het uit met enige nadruk en ik had geen idee wat hem zo mijlenver de strot uithing, maar aangezien ik toch even niets te doen had, besloot ik te wachten op de ontknoping. Natuurlijk beoefende ik daarbij de kunst van het nieuwe normaal en hield gepaste afstand.

‘Kijk’, begon hij weer en ik vermoedde dat het kijk een stopwoordje van hem was, ‘die hele Corona kan me gestolen worden.’

Ach, dat was het dus wat hem mijlenver de strot uitkwam, de Corona.

‘Wie niet?’ antwoordde ik.

‘Eerst dacht ik, een griepje, niks bijzonders. Ik ben ingeënt dus deze jongen kan niks gebeuren. Toen de eerste dooien begonnen te vallen, was er nog niks aan de hand. Ja, natuurlijk, elke dooie is er een teveel, laat ik daar heel erg duidelijk over zijn. Maar er gaan elke dag mensen dood, daar lig je niet wakker van.’

Uit zijn zak diepte hij een pakje shag en begon heel rustig een sigaretje te draaien.

‘Maar opeens werd het menens, overal sterfgevallen. Ja en niet alleen hier hoor, nee, over de hele wereld.’

Hij zei het op een toon alsof hij de enige was die beschikte over deze wetenschap. Hij bekeek zijn shagje en stak hem voldaan in zijn mond.

‘Hebbie vuur?’ vroeg hij.

‘Ik rook niet.’

‘Nee, dan hebbie ook geen vuur.’ Hij nam de sigaret uit zijn mond en keek er wat onbeholpen naar.

‘Wat moet ik nou doen? Ik kan hem toch moeilijk opvreten.’

Hij stak het shagje onaangestoken in zijn mondhoek en liet het daar bengelen.

‘Op een gegeven moment mochten we verdomme helemaal niets meer. Geen handen meer schudden, niet meer hoesten en niesen, we moesten thuisblijven. Ja, ademhalen, dat mochten we nog wel.’

‘Nou…’, probeerde ik, maar zijn monoloog was niet berekend op enig weerwoord en zonder zich aan mij te storen vervolgde hij zijn betoog.

‘Allemaal goed en wel, maar toen die club met die anderhalve meter kwam, ging voor mij effe het licht uit.’

Wie die club was liet hij in het midden, maar ik vermoedde dat hij daarmee het R.I.V.M. bedoelde.

‘Daar is een mens toch niet op berekend? Zeg nou zelf.’

Ik besloot het zwijgen er toe te doen. Hij was er de man niet naar, die, hoewel hij mijn mening vroeg, zou luisteren. Omdat hij mij aan bleef kijken en ik hem niet teleur wilde stellen, maakte ik een binnensmonds geluid, dat het midden hield tussen grrrmp en brrpm. Hij nam er genoegen mee. Een goed verstaander heeft soms maar een half woord nodig.

‘Maar weet je wat me nou het meeste stoort?’

Ik wist het niet, maar in het korte ogenblik dat ik de man nu kende, vermoedde ik dat het antwoord vanzelf zou komen.

‘Dat ik helemaal niemand mag knuffelen.’

Deze kwam uit een onverwachte hoek, die had ik niet aan zien komen. Hij leek mij allesbehalve een knuffelkont. Maar goed, het kan verkeren.

‘Niet dat ik nou zo’n knuffelaar ben hoor’, ging hij verder.

Dat dacht ik al, wilde ik nog zeggen, maar hij was me alweer voor.

‘Kijk, als je iets mag, dan doe je het niet en als je het niet mag, dan heb je juist de behoefte het wel te doen.’

Een filosofie waar geen speld tussen te krijgen was.

‘Mijn vrouw is vijf jaar geleden overleden. Ja, niet aan de Corona hoor, want die bestond toen nog helemaal niet. Nee, gewoon aan d’r hart.’

Hij zei het alsof buiten de Corona alle sterfgevallen van welke aard dan ook, gereduceerd waren tot gewone alledaagse bezigheden. Oh… niks bijzonder hoor, gewoon een hartverlamming.

‘Kijk, niet dat ik mijn vrouw nou zoveel knuffelde. Nee, dat nou ook weer niet. Ik was vrachtwagenchauffeur en als ik na een week buitenland thuis kwam, was ik doodlam en had helemaal geen zin aan allerlei geknuffel. Hou op zeg. Hebbie echt geen vuurtje?’

‘Nee, echt niet, het spijt me.’

‘Dan bewaar ik hem wel voor thuis’, zei hij en frommelde de sigaret in zijn zak.

‘Maar ik bedoel te zeggen, het klinkt misschien raar, maar juist nu zou ik haar zo graag eens even…’ Hij maakt zijn zin niet af. ‘Begrijp je dat?’

‘Ja’, antwoordde ik, ‘ik begrijp het.’

‘Nu het niet mag hè en nu het niet kan.’

Hij kreeg een dromerige blik en ik vermoedde dat hij in gedachten zijn vrouw een knuffel gaf. Postume verwennerij.

‘Ach ja, een mens leert overal mee leven zeggen ze weleens, maar die anderhalve meter daar kan ik maar niet aan wennen. Soms zie ik mensen en dan denk ik: ik zou je gewoon effe willen knuffelen.’

Even kreeg ik een bang vermoeden dat hij vandaag of morgen zijn behoefte niet meer in bedwang zou kunnen houden en op argeloze voorbijgangers toe zou lopen, ze in zijn armen zou nemen en ze tot overmaat van schrik intens en hartstochtelijk zou knuffelen.

U bent dus gewaarschuwd.

 

© Carl Slotboom / mei 2020