Home » Verhaaltjes » Geld speelt geen rol

GELD SPEELT GEEN ROL


GELD SPEELT GEEN ROL

 

‘Kijk’, zei de vrouw, ‘ik had wel kunnen bellen natuurlijk, maar ik dacht, kom, laat ik haar maar even met rust laten.’

‘Dat had je rustig kunnen doen hoor’, zei de vrouw tegenover haar, ‘bellen bedoel ik.’

Ze was een corpulente dame, iets te zwaar opgemaakt en droeg een onoverzichtelijk kapsel.

‘Hoe gaat het nu met je?’ vroeg de ander, die ik ervan verdacht de hele dag met allerlei sculpturen in de weer te zijn, waar ze naar hartenlust op los hakte. Ze leek mij in het huwelijk de spreekwoordelijke broek aan te hebben.

‘Ach, je moet toch verder hè’, antwoordde de ander, ietwat timide. Met een trage beweging pakte ze een papieren zakdoekje uit haar tas en depte haar ogen. ‘Het leven gaat door.’

‘Maar ik zie aan je dat het heel zwaar voor je is.’

‘Och…’

‘Je straalt het uit.’

‘Het gaat wel’, zei de ander.

‘Je hoeft je voor mij niet flink te houden hoor. Laat je tranen maar rustig de vrije loop.’

‘Ik heb geen tranen’, antwoordde de overkant.

‘Nee, op een gegeven moment heb je zoveel gehuild, dan zijn de tranen op hè? Dan huil je alleen nog van binnen.’

‘Als jij het zegt.’ Het klonk niet echt overtuigend.

‘Hoe lang is het nu geleden?’

‘Deze week een half jaar.’

‘Uitgerekend in die periode moest Koen voor zaken naar Amerika en vroeg mij om mee te gaan. Ja, en zoiets laat je niet lopen natuurlijk.’

‘Nee’, zei de overkant en nipte voorzichtig aan haar rode wijn.

‘Lies en Wim, zeiden Koen en ik altijd. Lies en Wim? Een stel uit duizenden. Geen speld tussen te krijgen.’

‘Och’, zei de vrouw, die kennelijk Lies heette en die nog maar eens nipte.

‘Nee Lies. Jij en Wim hadden een huwelijk uit duizenden. Punt uit!’

Het klonk als een dreigement. Lies bracht het glas weer naar haar mond, nam een iets grotere slok en keek haar tafelgenote over de rand van haar glas aan.

‘Het was ook een geweldige man, jouw Wim. Invoelend, humoristisch en belezen hoor. Je kon met hem werkelijk over van alles praten. Daarbij vond ik hem altijd zo energiek.’

De weduwe nam een oceaanslok van haar wijn. Kennelijk aangekomen op het punt om er iets meer tempo achter te zetten. Ze stak haar hand op en wenkte de ober.

‘Jij nog een glaasje?’ vroeg ze aan haar overbuurvrouw.

‘Ach ja, waarom niet?’ zei deze, waarop de ober met de lege glazen verdween. Een man en een vrouw zetten hun fiets tegen een boom en kwamen in de richting van het terras. Ze kozen een plekje uit onder de parasol, een plekje in de schaduw.

‘Je zult hem wel vreselijk missen.’

‘Och’, zei de vrouw, daarbij in het midden latend of ze al dan niet gebukt door het leven ging door de afwezigheid van Wim.

‘Kijk Lies’, zei de ander, ‘als je zolang bij elkaar bent dan is het normaal dat een huwelijk links en rechts een beetje waterschade oploopt. Ja toch?’

Ze wachtte het antwoord op haar vraag niet af, maar ging onverstoord verder. ‘Neem nou ons huwelijk…’

‘Een beetje waterschade?’ vroeg Lies.

‘Dat is heel normaal hoor en het komt in de beste huwelijken voor.’

‘Een béétje?’ zei Lies op een toon die niet veel goeds aangaande de waterschade voorspelde. ‘Een beetje? Mens, het was dweilen met de kraan open!’

De overkant was even uit het veld geslagen en zag in een ogenblik van enkele seconden het huwelijk uit duizenden, langzaam af brokkelen tot een onherstelbare ruïne.

‘Gôh’, zei ze, bij gebrek aan beter en keek haar overbuurvrouw glazig aan.

De ober zette twee glazen rode wijn op het tafeltje. Het glas stond nauwelijks of ze had al een immense slok genomen. Ze moest kennelijk iets verwerken.

‘Neem nou dit hier’, zie Lies, ‘een doodgewoon terrasje. Nou, ik heb ze allemaal gezien hoor die terrasjes en allemaal in vogelvlucht. Wim hield niet van terrasjes, Wim hield er niet van om ook maar één cent teveel uit te geven en al helemaal niet aan ontspanning.’

‘Gôh’, zei de overkant maar weer eens. Koen en zij hadden al die jaren toch een heel ander beeld van het huwelijk van Lies en Wim gehad.

‘Een beetje waterschade. Ik lach me kapot!’

‘Maar jullie waren toch heel erg happy met elkaar?’ vroeg haar overbuurvrouw, niet meer zo zeker van haar zaak.

‘Ach welnee mens, hoe kom je daar nou bij?! We deden alsof, voor de buitenwereld. Moest van Wim. Hij wilde in geen geval dat anderen zagen dat ons huwelijk helemaal niet deugde.’

‘Nou ja, in elk huwelijk is weleens iets aan de knikker.’

‘Nou bij ons was het een schoenendoos vol met knikkers. Knikkers in alle soorten en maten. Energiek vond je hem? Ik moet alweer heel erg hard lachen. Er kwam nou ook echt helemaal niets uit zijn handen. Ja, tegenover de vrouwtjes gedroeg hij zich zeer energiek. Thuis te lamlendig om uit zijn ogen te kijken. Maar zo gauw het andere geslacht in zijn erogene zone verscheen, veranderde meneer en kleedde hij de dames zowat uit met zijn kleine geniepige oogjes.’

‘Nou je het zegt’, antwoordde de overkant, nadat ze een grote slok van haar wijn genomen had. ‘Nou je het zegt ja, het viel mij wel op dat hij af en toe zo vreemd naar me keek.’

‘Hij vond je seksueel zeer aantrekkelijk. Dat heeft hij zich ooit in een dronken bui laten ontvallen.’

‘Agat… nee toch?! Mijn hemel… wat een engerd!’

‘Ons huwelijk was één groot toneelstuk, maar beslist geen komedie. En gierig zal ik je vertellen, gierig! We moesten op de kleintjes letten, zei hij altijd en dat terwijl hij een topsalaris verdiende. Er kon nooit wat. Nieuwe meubels? Vergeet het? Een leuke vakantie? Geen denken aan. We gingen ’s zondags weleens een stukje rijden. God, wat ontzettend burgerlijk!’

‘Desondanks zul je hem missen’, zei de ander, bij wie de chaos van het huwelijk nog niet echt doorgedrongen was.

‘Missen?! Ik hem missen? Wim? Ja hoor, ik mis hem ontzettend… als kiespijn!’

Er viel een langere stilte. Lies zat Wim te missen als kiespijn en haar overbuurvrouw nam nog maar eens een slok. Teleurstellingen kun je maar het beste wegdrinken.

‘Na zijn dood ontdekte ik dat meneer een vette bankrekening had, waar hij mij nooit iets van had verteld, de schijnheilige zak!’

‘Ik vind het een eng idee dat hij mij seksueel aantrekkelijk vond. Bah, wat vies!’

‘Bij de crematie zong een gemengd koor. Zing maar zoveel jullie willen, had ik gezegd, geld speelt geen rol. Ze zongen zich de blaren op hun stembanden. Het was niet om aan te horen.’

‘Hield Wim van koormuziek?’

‘Nee, hij haatte muziek en vooral koormuziek.’

‘Maar waarom…’, begon de ander.

‘Om hem te treiteren’, onderbrak Lies haar tafelgenote. ‘Ik dacht, ik zal jou wel krijgen, gierige krent.’

‘Gôh’, zei de overbuurvrouw voor de zoveelste keer.

‘En die vette bankrekening slinkt met de dag. Ik geef het met bakken tegelijk uit. Zo jammer dat hij dood is en niet meemaakt hoe ik zijn zuur gespaarde centen over de balk gooi.’ Er verscheen een vilein trekje om haar mond. ‘Een wijntje dan nog maar?’

 

© Carl Slotboom / november 2020

www.carlslotboom.nl