Home » Verhaaltjes » Gebakje bij de Hema

GEBAKJE BIJ DE HEMA


GEBAKJE BIJ DE HEMA

 

Aan het tafeltje naast mij zat een corpulente dame, die, gezien haar uitstraling, het leven met genot consumeerde. Haar blik verried een zekere vastberadenheid, die haar, gevoed door haar feministische inslag, iets strijdbaars gaf. Bij het beleg van Alkmaar zou zij ongetwijfeld op de barricaden zijn gesprongen en alleen al door haar verschijning het Spaanse leger op de vlucht hebben doen slaan. Dergelijke daadkrachtige vrouwen worden altijd te laat geboren.

Op de stoel tegenover haar nam een kleurloze muisachtige gestalte plaats, nadat deze eerst een schoteltje, met daarop iets van een ondefinieerbare makelij, op het tafeltje had gezet. Ze leek mij het type dat, wanneer ze iets aanraakte, dit onmiddellijk aan gruzelementen zou laten vallen. Zo’n type dat, wanneer ze een kopje optilt, alleen het oortje in haar hand zou houden. Met een zucht ging ze zitten. Haar leven was één diepe zucht en bood weinig perspectief op een gelukkige oude dag.

‘Wat heb jij?’

‘Geen idee’, antwoordde de grijze muis, ‘het leek me wel lekker.’

‘Volgens mij is het iets met marsepein’, zei de ander en prikte met haar vorkje ongegeneerd in het gebak van haar overbuurvrouw. Daarop stak ze het vorkje in haar mond.

‘Ja hoor, marsepein.’

‘Ik kom hier eigenlijk nooit’, zei de ander, ‘ik ben niet zo van het gebak.’

Ze prikte behoedzaam met haar vorkje in de massa die voor haar op het schoteltje lag en nam, geheel overeenkomstig haar verschijning, een uiterst minuscuul hapje.

‘Wel lekker’, zei ze.

Haar tafelgenote roerde met haar vorkje vol overgave door de slagroom, die het grootste deel van haar appelgebak overspoelde. Daarna nam ze een hap.

‘Dat ik jou nou tegen moet komen’, zei ze met volle mond, ‘na zoveel jaar!’

‘Ja’, zei de vrouw tegenover haar en staarde wat onzeker voor zich uit.

‘Je ziet er trouwens goed uit hoor.’

Ik heb altijd bewondering gehad voor mensen die heel geloofwaardig kunnen liegen. Ik heb het ook weleens geprobeerd, maar kreeg onmiddellijk een lange neus.

‘Dank je wel’, zei de grijze muis, terwijl ze onverstoord verder puzzelde aan hetgeen voor haar op het schoteltje lag. Een soort ontdekkingsreisje, waarbij je van te voren niet weet wat je tegenkomt.

‘Maar vertel, hoe gaat het met jullie? Ben je nog altijd met die eh… kom, hoe heet ‘ie nou?’

‘Wim.’

‘Ja, die bedoel ik! Hoe gaat het met ‘m?’

‘Slecht’, zei de vrouw. ‘Hij is dement.’

‘Agat, nee toch.’

‘Ik kom net bij hem vandaan.’

‘Oh enig’, zei de overzijde, ‘demente mensen zijn altijd zo dankbaar als ze visite krijgen.’

Ik vroeg mij af waar ze deze wetenschap vandaan haalde. Ze moest onbekende bronnen hebben geraadpleegd.

‘Hij weet niet eens meer wie ik ben.’

‘Dan hoef je ook niet meer op visite te gaan’, zei ze, terwijl ze haar mond volpropte met gebak. In haar mondhoeken kleefde de slagroom.

Een wijsheid als een koe, dat wel, maar tactvol was het nou niet bepaald.

‘Ik doe het ook niet voor Wim, ik doe het voor mezelf.’

Ze staarde met droeve zielloze ogen naar de resten van haar gebakje en roerde er verveeld met haar vorkje doorheen. Het werd een smurrie, het leek op een stilleven van van Gogh. Haar overbuurvrouw nipte van haar koffie en keek over de rand van haar kopje naar de overkant. Kennelijk bang dat er een ellenlang medisch dossier van Wim zou volgen, verzette ze resoluut de bakens.

‘Weet je trouwens dat Eugène en ik uit elkaar zijn?’

Ze wist het niet. Hoe kon ze ook, ze hadden elkaar in geen jaren gezien. Bovendien kon ze zich Eugène nauwelijks herinneren. Ja, dat hij dik en arrogant was en Havanna’s rookte, dat wist ze nog. Verder was Eugène in de loop der jaren in de nevelen van de verre herinneringen opgelost.

‘Ik heb hem eruit gesodemieterd, de zak!’

Ze zette haar kopje met zo’n klap neer, dat het lepeltje van schrik een luchtsprongetje maakte en naast het schoteltje terecht kwam.

‘In het begin kende hij me nog wel, maar op een gegeven moment dacht hij dat ik de buurvrouw was.’

‘Hij rommelde met zijn secretaresse. Begrijp jij dat nou? Mannen rommelen altijd met hun secretaresse, nooit eens met de kassajuffrouw van de Appie Heijn.’

‘Toen dacht hij weer dat ik zijn moeder was en noemde me steeds mama. Ik werd er gek van.’

‘Ik betrapte ze op zijn kantoor. Languit op de vloer, nou vráág ik je! Door zijn dikke pens kon hij het ene been nauwelijks voor het andere krijgen, maar meneer ligt languit met die del over de vloer te rollebollen!’

Door de toon die ze aansloeg maakte ik op dat Eugène nog altijd in haar keelgat stak en een enorme knoop in haar maag veroorzaakte. Ze was nog niet van hem af.

‘Je had die twee moeten zien. Het was te komisch voor woorden. Toen hij eenmaal stond heb ik hem met een ordner die op zijn bureau lag zo’n enorme dreun tegen zijn vadsige kop gegeven dat hij tegen die sloerie aanviel. Lagen ze allebei weer op de grond! Toen ik thuiskwam heb ik al zijn kleren op de oprijlaan gedonderd en gezegd dat hij de rest op kon halen in het bijzijn van zijn advocaat. Bonjour mon amour.’

‘Ik denk dat ik maar weer eens ga’, zei de overkant, ‘ik ben een beetje misselijk van dat gebakje.’

‘Ach, wat jammer nou toch, het was net zo gezellig.’

De ander stond op, gaf een slap handje en liep een beetje voorover gebogen naar de uitgang.

‘Doe je de groeten aan Wim?’

Ze keek niet om, maar slofte naar buiten. Voor sommige mensen is het altijd half tot zwaar bewolkt.

Toen de vrouw merkte dat ik in haar richting keek, richtte ze het woord tot mij.

‘Het is altijd al een suffig mens geweest.’

Ze schoof haar stoel naar achteren en zei:

‘Ik geloof dat ik nog maar eens zo’n lekker gebakje neem.’

Kordaat stapte ze naar de juffrouw van het gebak. Strijdbaar en vol goede moed.

 

© Carl Slotboom / juni 2020