Home » Verhaaltjes » De vreemde heer

DE VREEMDE HEER


Kerstverhalenconcours

VARA - radio 1,

Postbus 175,

1200 AD Hilversum.

Ik was een van de vijf inzenders die hun verhaal in de studio voor mochten lezen.

Uitzending: 25.12.1994 van 19.00 tot 22.00 uur

Auteur: Carl Slotboom

 

DE VREEMDE HEER

 

In het cafeetje waar ik doorgaans placht te komen was het op die avond vrij rustig. Het lag waarschijnlijk aan de sneeuw die, voort geblazen door een koude december­wind, door de stra­ten van de stad joeg.

Tante Sjaan hing verveeld over de bar en luisterde met half toegeknepen ogen naar de verhalen van één der gasten. Het was een beroepsmatig luisteren, het hoorde erbij. Het was duide­lijk dat hetgeen verteld werd niet echt tot haar doordrong en regelmatig dwaalden haar blikken dan ook door de kleine kroeg, maar dat scheen de spreker allerminst te storen.

Ik kende de man en ik kende zijn verhalen. Verhalen over zijn kwalen, zijn pech in het leven en verhalen over zijn eenzaam­heid. Eén en al kommer en kwel, telkens weer.

Ik rekende uit dat de plaats die de armen van tante Sjaan op de bar innamen, goed was voor twintig pilsjes in de lengte en drie in de breedte.

Wanneer er getapt moest worden, kwam ze lang­zaam, maar vooral log overeind. Eerst haar bovenlichaam. Dan volgde er een kleine pauze. Het was alsof ze zich zat te overleggen: zal ik wel of zal ik niet?

De klant is echter koning nietwaar en tenslotte wilde tante Sjaan verdienen. Na de pauze stond ze dan op, nam een glas van de bar en met gracieuze bewegingen, die alleen voor mensen met dit beroep weggelegd schijnen te zijn, tapte ze het gewenste nat. De kosten werden in het boek geschreven dat achter haar lag en tante Sjaan zeeg weer neer op haar kruk en ging weer stil zitten luisteren en kijken.

Op de hoek van de bar zat een wat oudere man die, naar zijn gelaatsuitdrukking te oordelen, geen lolbroek was.

Stuurs keken zijn ogen vanonder de borstelige wenkbrau­wen en de mond had een verbitterde trek.

Wanneer hij echter zijn borrelglaasje optilde leek hij het leven voor een ogenblik best aangenaam te vinden. Alvorens een slok te nemen, staar­de hij eerst een paar seconden in het vocht, als scheen hij iets te zoeken. Behoedzaam zette hij het glas dan aan zijn lippen en nam een klein zuinig teugje. Met zijn ogen dicht liet hij het drankje het binnenste van zijn mond beroe­ren, slikte het na enige seconden door en slaakte daarop met wijd opengesperde mond een diepe zucht om kenbaar te maken hoe zeer hij had genoten. Vrijwel onmiddellijk daarop zakte hij weer terug in zijn treurige houding.

Twee krukken van mij verwijderd zat een jong stel. Hij had zijn arm om haar middel geslagen, liet zich langzaam doch gestaag vollopen en was het prototype van de versierder. Zij nipte met veel te zwaar opgemaakte lippen aan een drankje met een voor mij niet te definiëren kleur.

Er kwamen twee mannen binnen, die eruit zagen als hadden ze de hele dag vruchteloos vergaderd over een ingewikkeld onder­werp. Vermoeid namen zij plaats aan de bar en bestelden ie­der een biertje.

Terwijl tante Sjaan de beide biertjes tapte en even geen aandacht voor de man tegenover haar kon hebben, draaide deze zich naar de beide nieuwkomers en ging verder, daar waar hij zo-even was opgehouden.

'Weet u wat het is om met de kerstdagen alleen te zitten?'

De beide heren wisten het kennelijk niet, ze gaven tenminste geen ant­woord.

'Jaar in jaar uit, altijd maar alleen'.

'Hè Willem, hou nou eens even op met je klaagzangen', zei tante Sjaan terwijl ze de biertjes op de bar zette.

'Twee jaar geleden lag ik met de kerst in het ziekenhuis', ging Willem onverstoord verder. 'Had ik tenminste nog wat aanspraak'.

Het sneeuwen had in hevigheid toegenomen en terwijl ik me zat te overleggen een andere kroeg op te zoeken, ging de deur open en trad een heer binnen.

Even staarde iedereen naar de nieuwkomer en ik kreeg de indruk dat een gevoel van onzekerheid zich van ons meester maakte. Slechts heel even, toen was het voorbij.

De heer ontdeed zich van hoed en mantel en nam plaats op de hoek van de bar, tegenover de oude man. Vanuit mijn ooghoeken nam ik hem op. Hij had grijs golvend haar en een volle, even­eens grijze, baard. Hij had een markante kop met doordringen­de, doch zachte ogen, was goed gekleed en van moeilijk te schatten leef­tijd. Ik kon mij echter niet aan de indruk ont­trek­ken hem te kennen. Hij richtte het woord tot tante Sjaan.

'Wat drinkt men hier zoal mevrouw?'

Iedereen staarde hem verbaasd aan en de oude tegenover hem wel het meest. Zijn treurige gezicht was één en al verwondering toen hij zei:

'Geloof mij nou, neem nou gewoon een lekkere jonge bor­rel, zacht en toch pikant.’

De heer scheen het zich even te overleggen.

'Goed', zei hij toen, 'een jonge borrel dan maar.’

'Voorzichtig drinken en genieten', adviseerde de oude.

De heer glimlachte in zijn richting en in zijn glimlach ont­dekte ik een wereld van rust en goedheid.

Iedereen keek nu naar hem.

Tante Sjaan schonk omzichtig, als moest het een meesterwerk worden, een jonge borrel in. Met vaste hand, doch uiterst behoed­zaam zette ze het glaasje voor hem op de bar en bleef enige seconden zeer tevre­den naar het door haar verzorgde drankje staren.

De heer zette het glas aan zijn lippen en nam voorzich­tig een heel klein slokje.

'Niet meteen doorslikken', zei de oude, die zich nu ontpop­te als een ware vakman.

'Even laten liggen… ja, slikt U maar.'

De heer slikte en zijn ogen werden een beetje vochtig van de sterke smaak.

'Lekker', zei hij toen. 'Pikant, maar lekker.’

'Ja, ome Kees weet wel wat goed is voor de mens', zei de oude.

'Ach Sjaan geef mij er nog maar één en tap meneer ook nog maar even bij.'

Ome Kees kreeg een nieuwe borrel en meneer werd bijge­tapt.

Het was opvallend dat sinds de aanwezigheid van de man de sfeer in de kleine kroeg was veranderd.

De oude keek opeens niet meer zo treurig en tante Sjaan zat rechtop, bonken ener­gie uit te stralen en ik raakte in gesprek met het jonge stel.

De beide heren schenen de nutteloze vergadering van die dag vergeten te zijn en lachten naar hartelust.

Plotseling was het één en al gezelligheid.

Alleen Willem zat er wat verloren bij en het viel mij op dat hij de grijze heer regelmatig, met een nadenkende blik, ob­serveerde.

Deze zat stilletjes achter zijn glaasje, keek glimla­chend door de kleine kroeg en scheen, behalve zo af en toe dan door Wil­lem, door niemand anders opgemerkt te worden. Niemand ook deed een poging om hem in een ge­sprek te betrek­ken.

Toen Willem wederom in zijn richting keek, hief de man zijn glas naar hem op en keek hem glimlachend aan.

'Neemt U mij niet kwalijk', zei Willem, 'maar ik heb zo het idee dat ik u ken. Ook uw stem komt me zo bekend voor.'

Opeens was het doodstil en iedereen keek naar de grijze heer.

Langzaam zette deze zijn glaasje op de bar en terwijl hij Willem strak aankeek antwoordde hij:

'Dat zeggen er wel meer. Spijtig genoeg herkennen heel veel mensen mij pas op het moment dat de kerstklokken beginnen te luiden.'

'Vreemd', zei Willem.

'Wanneer de kerstdagen voorbij zijn schijnen velen mij weer verge­ten te zijn.'

Daarna stond hij op, trok zijn mantel aan, zette zijn hoed op en rekende af. Bij de deur draaide hij zich langzaam om.

'Ik hoop u nog erg vaak te ontmoeten, hier, bij u thuis, waar u maar wilt, aan mij zal het niet liggen. Ik wens u een pret­tige kerst, vrede op aarde en vrede in uzelf'. En weg was hij.

'Wat een rare kerel', zei de oude man en dronk zijn glas leeg.

'Morgen koop ik een boom', zei Willem.

'Een boom ?', kraste de oude. 'Wat moet jij nou met een boom?'

'Ik weet het niet', antwoordde Willem. 'Ik heb gewoon behoefte aan een boom.'

Het sneeuwde nog altijd toen ik later op die avond met Willem over de gracht liep.

'Weet je', zei Willem, 'het leven is eigenlijk best aange­naam.'

'Ik hoor je anders altijd maar klagen', antwoordde ik.

'Ik heb maar weinig mensen om mij heen, in de loop der jaren is iedereen weggevallen. Vanavond is er echter een vriend terug­gekeerd. Een vriend die ik uit het oog was verloren.'

'De man met het grijze haar', zei ik.

'Ja', zei Willem, 'de man met het grijze haar. Ik mag dan met de kerstdagen alleen zijn, eenzaam ben ik niet.'

Nadat onze wegen zich hadden gescheiden en ik naar huis wan­delde, dacht ik nog na over de raadselachtige man die toch zo ver­trouwd leek en het kwam me voor dat de stad die nacht een betere sfeer uitademde.

 

© Carl Slotboom / december 1994