Home » Verhaaltjes » De tent

DE TENT


DE TENT

 

Aan de rand van het dorp staat een bankje waarop ik, als ik in de buurt ben, altijd even ga zitten, om te genieten van de rust en het uitzicht. Moeder Natuur heeft hier bijzonder haar best gedaan om er een buitengewoon mooi tafereeltje voor het menselijk oog van te maken en daarin is zij uitermate geslaagd. Het is goed toeven onder de bomen, kijkende naar een beekje dat door het prachtige Drentse landschap meandert, waar ooit het Trechterbekervolk rondkuierde, op zoek naar geschikte plekken voor hun hunebedden. Schotse hooglanders zorgen ervoor dat de vegetatie op peil wordt gehouden en een bord waarschuwt wandelaars niet te dichtbij te komen.

Als eerste viel mij een klein groen tentje op, dat op enkele meters van het bankje was opgezet en waarbij een vrouw vanaf een klapstoeltje zat te genieten van het vergezicht.

‘Ik ontneem u het uitzicht’, zei ze op een verontschuldigende toon, toen ik mijn fiets tegen een boom zette, alsof ik de eigenaar van het uitzicht was en zij er even, zonder mij te vragen, gebruik van had gemaakt.

‘Er blijft genoeg uitzicht over’, antwoordde ik, ‘en bovendien past de kleur van uw tentje uitstekend in het landschap.’

Je moet tolerant zijn vind ik – ook als eigenaar van een uitzicht - en wat neemt zo’n klein pesttentje nou voor ruimte in.

‘We proberen onze tent even uit’, zei ze.

‘Nieuw?’ informeerde ik.

‘Nee, tweedehands, maar de man van wie we hem gekocht hebben zei dat hij nog prima in orde was.’

Het was zo’n tentje waar je uitsluitend kruipend naar binnen kon. Binnen moest elke bezigheid liggende worden vervuld en ook de buitenlucht kon alleen kruipende worden bereikt. Voor rugpatiënten en mensen met versleten knieën beslist een afrader.

‘U gaat kamperen?’ vroeg ik.

‘Ja, dat is wel de bedoeling, maar omdat we geen zin hebben om verrassingen tegen te komen als we op een camping staan, proberen we hem hier eerst maar eens even uit.’

‘Gelijk heeft u. Maar wie zijn we? U bent de enige die ik zie.’

‘Mijn vriendin en ik’, antwoordde ze, ‘ze doet een dutje.’

Waarschijnlijk was dat ook een onderdeel van het uitprobeerproject. Als je dan toch aan het testen bent, dan maar radicaal.

‘Wij wonen in de stad’, zei ze, ‘aan een park en daar is het verboden je tent op te zetten. Vandaar.’

Ze draaide zich van mij af en tuurde weer in de verte en ik tuurde met haar mee. Zij op haar stoeltje en ik op het bankje. Vanuit het tentje klonk gesnurk, ongetwijfeld van de vriendin, die de aankoop op geheel eigen wijze aan het keuren was. De vrouw op het stoeltje keek mij aan, haalde haar schouders op en lachte verontschuldigend. Zij kon er ook niets aan doen. Slaap is een heilige bezigheid en daarom maakte ze haar vriendin niet wakker.

Vanuit het dorp zag ik twee vrouwen in onze richting komen. Ze hadden de pas er behoorlijk in en hadden iets strijdbaars in hun blikken, dat niet veel goeds beloofde. Bij het bankje bleven ze staan.

‘Het is hier verboden te kamperen’, zei een van de vrouwen op bitse toon tegen mij, terwijl ze haar handen in haar zij zette, als stond ze op de markt met verse vis.

‘Ik kampeer ook niet’, zei ik.

‘Het lijkt er anders wel op’, zei de andere vrouw, wiens kapsel eruit zag alsof ze uren in de wind op de Afsluitdijk had gestaan.

‘Nou, kijk…’, zei ik.

‘Laat mij maar even’, zei de eigenares van het tentje, terwijl ze van haar stoeltje kwam en naar de vrouwen liep.

‘Nee’, zei de eerste vrouw, ‘ik regel dit wel even met uw man.’

Ik voelde dat ik iets recht moest zetten.

‘Ik ben haar man ni…’, begon ik, maar kreeg geen gelegenheid mijn zin af te maken.

‘Wij kunnen hier werk van maken’, zei de vrouw met het verwaaide kapsel, ‘wij kunnen de politie bellen en dan kunt u het aan hen uitleggen.’

‘Zo’n klein tentje staat toch helemaal niemand in de weg’, zei ik.

‘Daar gaat het niet om’, zei de vismevrouw, ‘het gaat om het principe.’

‘Ja’, vulde de ander aan, ‘als wij dit niet meteen de kop indrukken, staan hier binnen de kortste keren verschillende tenten en heb je, voordat je het weet, een camping in je dorp.’

Ik vond het lichtelijk overdreven.

‘Dat willen wij niet’, zei de ander weer, ‘het is niet goed voor het aanzicht van het dorp.’

‘Dus, als u zo vriendelijk zou willen zijn’, zei haar vriendin en maakte een gebaar dat zoveel betekende als: afbreken die handel.

Inmiddels waren er mensen op het tafereel afgekomen. Wandelaars, fietsers en enkele dorpsbewoners.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg een man, terwijl hij zijn kruiwagen neerzette.

‘Wildkampeerders’, antwoordde een vrouw.

‘Ze schijnen hier al een week te staan’, zei een ander.

‘Het zal wel een of andere actiegroep zijn’, werd er geroepen.

‘Mag ik misschien de situatie even uitleggen?’ riep ik, terwijl ik mijn armen in de lucht stak om de zaak tot bedaren te brengen.

Er stapte een vrouw op mij af, die mij uitgebreid van top tot teen bekeek.

‘Kijk ‘m staan’, zei ze, ‘overjarige puber!’

‘Luister nou eens even’, probeerde ik boven het gekrakeel uit te komen.

‘Wij hebben geen zin om naar jullie argumenten te luisteren’, antwoordde een vrouw met een kind op haar arm. ‘Als je wilt demonstreren dan ga je maar naar de stad.’

‘Juist!’ beaamde de vismevrouw, ‘wij willen geen onrust in ons dorp.’

Inmiddels had de eigenares van het tentje haar hoofd door de ingang gestoken en sprak met haar vriendin, die zich nog altijd, aan het oog van iedereen onttrokken, in horizontale houding bevond.

‘We moeten de politie bellen’, riep iemand. ‘Die maakt korte metten met tuig dat maar te pas en te onpas demonstreert.’

Heel langzaam ging nu de rits van het tentje helemaal open en kwam er iemand naar buiten gekropen; de vriendin. Uitgeslapen, fris en monter.

‘Kijk nou’, krijste een van de omstanders, ‘hij doet het met twee tegelijk!’

‘Viezerik!’, blafte de vismevrouw mij in mijn gezicht. Het kwam uit de grond van haar hart.

De vriendin had zich inmiddels bevrijd van de tent om haar heen en klauterde overeind. De aanblik was indrukwekkend, zeker twee meter in de hoogte en body building in optima forma.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze uiterst ontspannen, aan de beide vrouwen die de onrust op hun geweten hadden. Ze wachtte het antwoord niet af, maar ging onverstoord verder, op een toon die een zekere dreiging verried: ‘u maakt toch geen problemen, hoop ik?’

‘Nou…’ reageerde de vismevrouw, danig onder de indruk van de verschijning die voor haar stond.

‘Mooi, dat wilde ik maar even horen’, zei de vriendin, ‘dan is dat probleem opgelost en nu allemaal oplazeren!’

Inmiddels had ik ongemerkt mijn fiets gepakt en terwijl ik in de richting van het dorp fietste hoorde ik een man mij achterna roepen: ‘Nozem!’

Hij moest hoogbejaard zijn, want wie weet vandaag de dag nog wat nozems zijn.