Home » Verhaaltjes » De ongenode gast

DE ONGENODE GAST


DE ONGENODE GAST

 

Op het bruiloftsfeest van een van mijn vrienden belandde ik, na het feliciteren en het overhandigen van het cadeautje, vrijwel onmiddellijk aan de bar. Dit mag geen wereldwonder heten, aangezien bars, sinds ik mij kan heugen, een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uitoefenen. Zij worden des te interessanter wanneer het tappen geschied op kosten van een ander. Ik kan het mij verbeelden, maar de dorst lijkt in dergelijke gevallen zelfs groter. Ik bestelde een biertje en besloot gemakshalve maar aan de toog te blijven zitten, aangezien het heen en weer lopen na een paar pilsjes erg vermoeiend zou kunnen zijn.

Toen ik aan mijn tweede biertje was begonnen, kwam er een man van middelbare leeftijd naast mij zitten. Zweet parelde op zijn voorhoofd en zijn gezicht had een kleur alsof hij de marathon had gelopen.

‘Hè hè’, zuchtte hij, ‘ik zit.’

Hij was gekleed in een donker pak, dat hier en daar sleetse plekken vertoonde en hem een beetje ruim om zijn lijf slobberde. Ik ging ervan uit dat hij het aangeschaft had toen zijn lichaam wat rondere vormen had gekend.

‘Je hijgt als een dood paard’, zei ik.

‘Vind je het gek?’ antwoordde hij, ‘dit is vandaag voor mij het tweede huwelijk. Geef mij maar een pilsje’, dit laatste tegen de man achter de tap.

‘Proost’, zei hij en hief zijn glas, dat hij daarop in één teug leegdronk. ‘Zo, die zit’, zei hij en liet vervolgens een knallende boer.

‘Familie?’ informeerde ik.

‘Nope’, antwoordde hij.

‘Een kennis dan? Van de bruid, de bruidegom?’

‘Geen familie, geen kennis, helemaal niks, niente, nothing.’

‘Oh’, zei ik, even uit het veld geslagen. Als je noch familie noch een kennis bent, wat blijft er dan nog over?

‘En nu wil jij weten hoe ik dan hier terecht kom’, zei hij, terwijl hij zijn glas omhoog hield, ten teken dat de barman weer vol kon tappen.

Aan de bar verscheen een jongedame, met een dienblad met daarop allerhande hapjes.

‘Kijk, daar hebben we het lekkers’, zei de man, terwijl hij de serveerster diep in haar ogen keek.

‘Pardon?’ bitste deze hem toe.

‘Ik bedoel wat je op je blad hebt troel. Geef mij maar zo’n lekker gevuld eitje. Heb je die zelf gemaakt?’

‘Nee, zelf gelegd, nou goed?!’ Ze was kennelijk niet op haar mondje gevallen.

‘Ik neem er meteen maar een paar, dat scheelt jou weer een loopje’, zei de man en pakte met beide handen meteen vier gevulde eieren van het dienblad. ‘Ik roep je wel als ik ze op heb.’

‘Het is goed met je, hebbert.’

Daarop draaide ze zich om en verdween tussen de menigte.

‘Ik ben gek op gevulde eieren’, zei hij, terwijl hij er een in zijn mond stopte. ‘Tenminste, als ze goed klaargemaakt zijn en daar wil nog wel eens verschil in zitten hoor. Ze moeten een beetje stevig zijn, niet zo smurrieachtig.’

‘Oh’, zei ik en concludeerde met een kenner van doen te hebben.

‘Deze zijn goed, dat zag ik onmiddellijk.’ Hij stopte er meteen de tweede achteraan en spoelde het geheel weg met een slok bier.

‘Maar in welke verhouding sta je dan tot het bruidspaar?’ vroeg ik, want ik ben behept met een akelig nieuwsgierig karakter, ik wil alles weten.

‘Als je belooft je mond te houden, zal ik het je vertellen.’

Ik beloofde het.

‘Eerst geef ik een rondje’, zei hij gul en bestelde twee biertjes. Hij wist er weg mee. Het was in de paar minuten dat hij hier zat al zijn derde pilsje.

‘Een paar jaar geleden is mijn vrouw er vandoor gegaan. Zo maar, uit het niets. Ik kwam ’s avonds thuis van mijn werk en het loeder had haar koffers gepakt en was afgetaaid met de slager.’

‘Met de slager?’ vroeg ik.

‘Ja, romantisch hè?’

‘Nou ja, bij een keurslager kan ik mij nog wel iets voorstellen’, antwoordde ik.

‘Hoe dan ook’, ging hij verder, ‘ik stond er opeens alleen voor en dat reptiel verlangde ook nog een alimentatie. Kort daarop raakte ik werkloos en kon amper nog het hoofd boven water houden.’

‘Ellende alom’, zei ik.

‘Kun je wel zeggen ja. Maar daar heb ik iets op gevonden. Ik heb bij de Kringloop een mooi donker pak gekocht en een paar nette schoenen. Voor een prikkie. Kostte geen drol.’

Hij ging staan en draaide een keer om zijn as. ‘Nou, netjes of niet?’

‘Netjes’, beaamde ik.

‘Ik doe ’s ochtends dit kloffie aan en ga de zaaltjes af waar iets te doen is. Een bruiloft, een zoveel jaar huwelijksfeest, een begrafenis, een crematie, noem maar op. Als er maar iets te eten en te drinken is.’

Ik keek hem vol verbazing aan.

‘Kijk, bij feesten loop ik gewoon naar binnen en meng me tussen de gasten. Ik eet en drink naar hartelust mee en geen hond die het in de gaten heeft. Het is al eens voorgekomen dat ik aan een driegangen diner heb aangezeten.’

‘En vraagt er nooit eens iemand wie je bent?’

‘Nee, dat zeg ik toch, geen hond. Ik moet mij natuurlijk niet voor gaan lopen stellen en vooral de feestvarkens niet feliciteren. Nee, daar moet ik dus ver bij uit de buurt blijven, vooral niemand voor de voeten lopen. Mij verstoppen tussen de massa en dan is er geen haan die er naar kraait. En mocht dat wel een keer voorkomen, zeg ik gewoon dat ik mij vergist heb en bij de verkeerde plechtigheid ben beland.’

‘Hoe is het mogelijk?’ zei ik vol verbazing.

‘Begrafenissen en crematies, mijn twaalfuurtje.’

‘Je wat?’ vroeg ik verbaasd.

‘Er gaan elke dag mensen dood en die zullen begraven of gecremeerd moeten worden. Ja toch?’

‘Lijkt mij wel’, antwoordde ik, ‘wel zo prettig voor de omgeving.’

‘Het is lopende band werk, gaat aan één stuk door, rondom de klok. Kijk, ik zorg dat ik tegen het middaguur bij zo’n aula ben. Als het mooi weer is zit ik buiten in het zonnetje en wacht tot de plechtigheid is afgelopen en ik de gasten door de gang zie schuifelen. Ik ga dan naar binnen en voeg mij naadloos tussen de mensen. Net als bij het verkeer, een soort ritsen, weet je wel?’

Ik zag het voor me.

‘Als het zeikt van de regen, ga ik natuurlijk niet buiten zitten, dan moet ik mij opofferen en de hele plechtigheid bijwonen. Het is niet anders.’

‘Je moet er wat voor over hebben’, zei ik.

‘Bij het condoleren zorg ik dat ik zo ver mogelijk vooraan in de rij sta.’

‘Waarom?’ vroeg ik.

‘Dat zal ik je vertellen. Als ik bij de nabestaanden aangekomen ben, zeg ik dat ik de overledene goed heb gekend. Ze nemen dat voor zoete koek aan, want voor verdere vragen is geen tijd, omdat er een hele sliert achter mij staat die ook een handje wil geven.’

Ik bekeek hem met bewondering. Je moet er maar opkomen.

‘Nou en vervolgens begint mijn twaalfuurtje, kopje koffie, plakkie cake, broodje ham, broodje kaas. Snappuu?’

Ik snapte het, een beroepsprofiteur.

‘Zo en nu ga ik nog even die lekkere meid opzoeken met haar gevulde eitjes. Mondje dicht hè, anders wacht ik je buiten op en moet je vanavond nog een kunstgebit bestellen.’

Ik beloofde nogmaals mijn mond te houden.

Even later zag ik hem de polonaise lopen met de overige bruiloftsgasten. Zijn mond vol met gevulde eieren. Je moet maar durven. Maar is het niet zo dat een brutaal mens de halve wereld heeft?

 

© Carl Slotboom / juni 2020

www.carlslotboom.nl