Home » Verhaaltjes » Dag Sinterklaasje

DAG SINTERKLAASJE


DAG SINTERKLAASJE

 

In het kleine cafeetje waar ik op die namiddag naar binnen stapte, zat de kastelein onderuit gezakt te wachten op betere tijden. De dag was voor café begrippen nog jong en er kon nog van alles gebeuren. Hij keek mij aan met een blik van ‘geef mijn portie maar aan Fikkie’. Hij leek mij iemand die bij demonstraties niet onmiddellijk op de barricaden sprong.

Tegenover hem zat een vrouw van middelbare leeftijd, die haar gesprek staakte toen ik binnenkwam. Ik nam plaats aan de toog en bestelde een pils. Loom kwam de kastelein overeind, spoelde een glas en tapte een biertje.

‘Maar ik zal je vertellen’, vervolgde de vrouw haar onderbroken gesprek, ‘er komt een dag dat ik hier het boeltje erbij neergooi en naar Spanje emigreer. Daar sla ik dan een rijke vent aan de haak.’

‘Sinterklaas’, antwoordde de man droog, terwijl hij weer neerzeeg op zijn kruk.

‘Wie weet’, zei de vrouw, ‘en misschien krijg ik dan elke dag wat lekkers uit de zak.’

Ze gaf mij een veelbetekenende knipoog en legde vervolgens haar gulle borsten op de toog. De kastelein staarde ongegeneerd in haar niet geheel onaangename decolleté. Ze merkte het niet.

Buiten was het gaan miezeren en ik concludeerde dat ik net op tijd binnen was. De vrouw schoof haar lege glaasje naar voren en de kastelein schonk iets groenachtigs in.

‘Kijk je uit Mien’, waarschuwde hij, ‘dit spul is behoorlijk koppig.’

‘Ik kan wel tegen een stootje jongen, dat weet je.’

‘Ja, maar dit is een ander stootje dan jij doorgaans gewend bent.’

‘Haha, wat zijn we weer lollig.’

Opeens ging de deur open en stapte Sinterklaas naar binnen.

‘Wat krijgen we nou?’ zei de vrouw verbaasd.

‘Je rijke vent Mien, je wordt op je wenken bediend.’

‘Doe effe de deur dicht Sint, want ik heb een gevoelige blaas en anders moet ik er vannacht zo vaak uit.’

De Sint sloot de deur en schreed door de kroeg op weg naar een geschikte kruk. Hier aangekomen was hij enige tijd in de weer met al zijn jurken, door ons met belangstelling gade geslagen. Tenslotte hees hij zichzelf naar boven en legde zijn mijter op de toog.

‘Zo en dan nu iets te drinken.’

‘Verrek’, zei de vrouw, ‘het is Bob.’ Ze keek de goedheiligman indringend aan. ‘Ben jij het Bob?’

‘Ja’, klonk het vanachter de baard, ‘helaas wel.’

‘Wat zie je eruit’, zei de kastelein.

‘Hoezo, wat zie je eruit? Ik zie er toch heel erg normaal uit dacht ik zo. Gewoon Sinterklaas.’

‘Nou’, ging de kastelein verder, ‘je hebt sinterklazen en je hebt sinterklazen. Bij welke uitdragerij heb je dat pak gehuurd?’

‘Het is van het Buurthuis.’

‘Man je hebt een lucht om je heen hangen, niet te harden. Zeker heel lang in de mottenballen gelegen.’

‘Ja, zeurpiet, het is goed met je, geef maar iets te drinken.’

‘Wat moet je hebben?’

‘Iets heel sterks.’

‘Glaasje zoutzuur dan maar?’

‘Weet Erik wel dat je er zo bij loopt?’ wilde Mien weten.

‘Erik is zijn man, ze zijn vorig jaar getrouwd’, zei de kastelein tegen mij.

‘Leuk’, antwoordde ik.

‘Maar eh… wat moeten wij ons bij deze verkleedpartij voorstellen’, vroeg Mien.

‘Nou, dat is toch wel duidelijk dacht ik zo’, pruilde de Sint, enigszins agressief. ‘Ik ben Sinterklaas.’

‘Het is dat je het zegt.’

‘Maar hoe hebben ze jou in hemelsnaam in dat pak gekregen?’ vroeg de kastelein.

‘Eerst iets te drinken.’

De kastelein nam een fles en schonk een klein glaasje in.

‘Niet zo gierig hoor, tot het randje, anders krijg je geen cadeautje dit jaar.’

Ik bestelde nog een pils.

Sint staarde naar zijn glas. ‘Dat kan ik zo niet drinken.’

‘Dan doe je die baard toch af.’

‘Kan niet, zit vastgelijmd en ik moet over drie kwartier weer terug zijn. Geef maar een rietje.’

De kastelein viste ergens onder uit een kastje een rietje tevoorschijn en zette dit in het glas. De Sint begon onmiddellijk te lurken en slaakte vervolgens een diepe, vermoeide zucht.

‘Speel jij even voor de Sint, zeiden ze, Willem is ziek geworden. Ik denk, nou, dat doe ik dan maar even. Jurk aan, baard en pruik omhangen, mijter op, even handjes schudden, over de bolletjes aaien en weer naar huis. Wist ik veel.’

‘Niet dus’, concludeerde de kastelein.

‘Ik werd naar een verkleedruimte gebracht en even later komt er een spetter van een knul op me af en die zegt: ik ga jou eens even lekker aankleden. Ik zeg: nou lieverd, omgekeerd is me liever en als je zoet bent mag je straks bij Sinterklaas op schoot zitten. Zegt die gozer: bah, wat ben jij een viezerd. Afijn, hij jurkt me aan, plakt die baard vast en zet die mijter op mijn kop. Ik zag er niet uit.’

‘Klopt’, zei Mien.

‘Ik loop achter Gerda aan, die doet opeens een deur open en ik zie een zaal vol met allemaal van die joelende kindertjes. Ik schrok me kapot. Ik heb toch al een bloedhekel aan kinderen. Ze zwaaiden ook nog met vlaggetjes. Schenk nog maar even bij.’

De kastelein kwam weer van zijn kruk en tapte weer vol.

‘In het midden stond een versierde stoel. Ga hier maar zitten Sinterklaas, zei Gerda, dan gaan de kinderen eerst voor u zingen. Ik wilde nog zeggen: dat hoeft niet, maar ze begonnen meteen te blèren. Afgrijselijk! Ik heb een piep in mijn oren die er voorlopig niet uit is. Na het gezang kwamen er allerlei enge jongetjes en meisjes op me af, die ik allemaal een handje en een cadeautje moest geven. Er kwam geen einde aan.’

‘En heb je die kinderen nu zo maar alleen gelaten?’ wilde Mien weten.

‘Het was pauze en ik dacht, ik ga mooi even een afzakkertje pakken, het is hier tenslotte om de hoek.’

‘Ik lach me kapot’, zei Mien en begon onbedaarlijk te lachen.

‘En heb je geen Zwarte Piet?’ vroeg de kastelein.

‘Jawel, maar die wilde niet aan de drank. Als die eenmaal begint weet ze niet van ophouden en voordat je het weet is ze lazarus en dat kun als Piet niet hebben natuurlijk.’

‘Ze’, vroeg de kastelein. ‘Is het een ze?’

‘Ja, tante Marie van hiernaast.’

‘M’n bek valt open’, zei Mien. ‘Tante Marie is Zwarte Piet? Maar die is vijf en zeventig en weegt meer dan negentig kilo.’

‘Ze konden niemand vinden die het wilde doen.’

‘Nee, vind je het gek’, zei de kastelein.

‘In het begin hield ze zich nog gedeisd, maar ze werd steeds joliger. Heel gênant, ik schaamde me kapot. Op een gegeven moment zegt ze tegen me: Sinterklaas ik ga voor de kindertjes een mooie koprol maken. Ik zei nog: doe dat nou niet tante Marie, maar het was al te laat. Ze rolt over haar kop en blijft plat op haar rug liggen. Geen beweging meer in te krijgen. Die kinderen lagen in een deuk en dachten dat het erbij hoorde. Met vier man hebben ze haar overeind gehesen. Ze zat helemaal in de kreukels. Een blamáge zal ik je vertellen. Nou en toen was het meteen pauze. Ik zeg, tante Marie, ik ga even een recht op en neertje halen bij Kees. Ik heb de fiets gepakt en nu zit ik hier.’

Hij keek naar zijn glaasje, dat alweer leeg was.

‘Wat een kleine pestglaasjes zeg, daar gaat nauwelijks iets in. Tap nog eens bij.’

De kastelein schonk weer in en serveerde er een schoon rietje bij. Sinterklaas moet je verwennen, anders loopt hij je huisje ijskoud voorbij. Deze smaakte kennelijk nog beter dan de beide anderen, want één lange haal aan het rietje en leeg was het glaasje weer.

‘Verrek Bob, doe een beetje rustig aan, je moet nog naar die kinderen.’

‘Ach, wat kunnen mij die vervelende koters schelen’, sprak de kindervriend toch enigszins oneerbiedig. ‘Laat ze op het dak gaan zitten met hun liedjes. Kom op, gooi vol dat glas, op drie benen kan ik niet staan.’

‘Je moet het zelf weten hoor’, zei de kastelein.

‘Ik ben een wijze oude man’, zei de Sint, ‘ik weet heus wel wat ik doe.’

Dat vroeg ik mij af, want de Sint begon toch al enigszins glazig te kijken en met een dikke tong te praten. Hij helde een beetje naar links en omdat ik vreesde dat hij van de kruk zou kieperen, duwde ik tegen zijn schouder. Met een soort hinkstapsprong stapte hij van de kruk en met onvaste benen kwam hij naar mij toe. Zijn gezicht vlakbij het mijne, ik voelde zijn baard kriebelen tegen mijn wang.

‘En jongeman’, lalde hij, ‘geloof jij nog in Sinterklaas?’

‘Nou’, zei ik, ‘niet meer zo heftig als vroeger.’

Hij sloeg zijn beide armen om mijn hals en hing als een zoutzak tegen mijn lichaam.

‘Als je heel lief bent’, zei hij met dikke tong, ‘mag je misschien wel even mijn stafje vasthouden.’

‘Zo is het genoeg Bob, ophouden met die flauwekul’, donderde de kastelein. ‘Laat mijn gasten met rust.’

‘Ach lazer op’, sprak de Sint, die in zijn hoedanigheid als heilige niet graag op zijn nummer werd gezet. Hij sloeg met zijn vlakke hand zo hard op de toog, dat zijn glaasje omkieperde. Vervolgens zonk hij in slow motion ter aarde.

‘Ik heb hem gewaarschuwd’, zei de kastelein, ‘dat spul is loeisterk.’

‘Kijk ‘m liggen’, zei Mien, ‘het lijkt wel een vaatdoek.’

Sint lag ineengedoken op de grond en er zat weinig leven meer in. Jammer voor de kindertjes, maar met de rest van het optreden zou het niet veel meer worden. Plotseling ging de deur open en stapten zes kinderen, met Pieten mutsjes op en vlaggetjes in hun knuistjes, naar binnen.

‘Wat komen jullie doen?’ vroeg de kastelein.

‘Tante Gerda zei dat Sinterklaas hier was en dat we hem even moesten halen’, sprak het grootste jongetje.

‘Daar ligt ‘ie’, zei Mien en wees naar het hoopje ellende op de vloer.

‘Is Sinterklaas gevallen?’ wilde een meisje weten.

‘Nee’, zei ik, ‘Sinterklaas is heel erg moe van de reis en rust nu even uit’.

‘Ja, want hij woont helemaal in Spanje’, zei een schattig roodharig meisje.

De kastelein kwam achter zijn toog vandaan.

‘Kom’, zei hij tegen de kinderen, terwijl hij ze met zachte hand de deur uitwerkte. ‘Ga maar weer terug naar het buurthuis en doe Zwarte Piet de groeten.’

‘Die heeft een bloedneus’, zei het grote jongetje, ‘en hij voelde zich helemaal niet lekker.’

‘Ja’, zei een meisje, ‘en hij is terug gegaan naar de pakjesboot.’

Even later stonden ze buiten voor het raam. Hun gezichtjes tegen de ruit. Ze zwaaiden enthousiast met hun vlaggetjes. Dag Sinterklaasje, daahaag, daahaag!

 

© Carl Slotboom / november 2020

www.carlslotboom.nl