Home » Verhaaltjes » Broeken passen

BROEKEN PASSEN


BROEKEN PASSEN

 

‘Ga hier maar even zitten’, zei de vrouw tegen haar echtgenoot. ‘Ik kom wel naar je toe als ik iets gevonden heb.’

Met een zucht nam hij plaats, met het bange vermoeden dat hij hier voorlopig nog niet weg was.

‘Niet gaan lopen hoor’, zei de echtgenote, ‘anders kan ik je niet vinden en moet ik je weer om laten roepen, zoals een paar maanden geleden.’

‘Nee, nee’, antwoordde de man, terwijl hij op het stoeltje neerzeeg, dat eigenlijk gefabriceerd was voor mensen met minder gewicht. Het kraakte een beetje en hij hoopte er maar het beste van.

‘Neem een lekker kopje koffie.’

‘Ja, ja.’

‘Tot later’, zei ze en verdween tussen de overhemden en de truien.

In het gangpad tegenover de pashokjes was een lange bank geplaatst. Straks zou zijn vrouw hem roepen en dan was het passen geblazen en zou zij op de bank wachten, terwijl zij hem door het kiertje van het gordijn telkens een nieuw kledingstuk aan zou reiken.

‘Dit is niks voor ons’, zei de man die tegenover hem zat en die kennelijk ook door zijn vrouw daar neergezet was. Hij had een doorleefd gezicht en een blik die zeggen wilde: het zal mijn tijd wel duren.

‘Kijk, vrouwen hebben die genen hè, daar worden ze mee geboren.’

‘Genen?’ vroeg de man.

‘Ja, de pasgenen. Zij hebben dat van geboorte af mee gekregen hè, het passen van kleding.’

‘Oh’, zei de man.

‘Neem nou mijn vrouw. We kunnen geen kledingzaak voorbij lopen of ze moet naar binnen. Kijken en passen, maar kopen ho maar. Meestal blijf ik buiten op haar wachten. Er zijn kledingzaken waar ik zo vaak voor de deur sta, dat de mensen al denken dat ik van de bewaking ben.’

Hij slaakte een diepe zucht.

‘Nou, ik ga eens even de benen strekken, ik krijg aambeien van dat lange zitten.’ Daarop stond hij op en slenterde de winkel in.

Na een paar minuten ontwaarde de man zijn echtgenote, die in gezelschap van een verkoper, op hem toe kwam lopen.

Over zijn arm droeg de man, die de service uitstraalde, waarmee de kledingzaak in haar folder adverteerde, een hoeveelheid kledij. Hij vond hem geschikt om de hoofdrol te spelen in een reclamespotje voor een of andere duistere verzekeringsmaatschappij.

Dit zou nog weleens een lange bezigheid kunnen worden, dacht de echtgenoot met het oog op de kleding die bij de man over zijn arm hing. Het is misschien raadzaam als ik bij de eerste stukken meteen zeg dat ik ze niet mooi vind. De hoeveelheid onmiddellijk maar even reduceren tot een overzichtelijk geheel.

‘U mag’, zei de verkoper met een beroepsmatig glimlachje, legde de hele vracht op de bank en verdween weer tussen de rekken.

‘Ik ben overgelukkig’, zei de man, terwijl hij moeizaam overeind kwam.

‘Niet zeuren hoor’, was de reactie van de echtgenote, die de bui al zag hangen. ‘Ik heb hele leuke dingen voor je uitgezocht. We beginnen met de broeken.’

‘Broeken? Waarom broeken? Ik dacht dat ik een overhemd nodig had.’

‘Ook’, antwoordde zijn vrouw, ‘maar ik zag zulke leuke broeken en ik wil dat je die even past.’

‘Goed, goed’, zei de echtgenoot en verdween achter het gordijntje dat het pashokje van de buitenwereld afsloot. Zijn echtgenote stak af toe haar hoofd naar binnen. Meer om te zien of hij inderdaad de kledingstukken wel aantrok die ze hem aangereikt had. Hij was ooit eens in het pashokje op het stoeltje blijven zitten en had, zonder te passen, de kleding telkenmale door de kier van het gordijntje weer terug gegeven, met de mededeling dat het niet deugde. Dat had ze gemerkt en was vanaf dat ogenblik de procedure scherp in de gaten gaan houden.

Het was een heen en weer geven en teruggeven van broeken, die allemaal niet door de keuring heen kwamen. Te lang, te kort, te klein, te groot.

‘Ik ga verder zoeken’, zei de echtgenote, pakte de hele bundel bij elkaar en verdween weer tussen de kledingrekken.

Dit kan nog wel even gaan duren, dacht de man, laat ik maar eens even luchthappen, even uit dit benauwde hokje. Zijn hand ging naar de kledinghaak waar hij zijn broek aan had gehangen. Hij hing er niet. Verrek, dacht hij, waar is die broek? Ik weet toch zeker dat ik hem aan die haak heb gehangen. Hij keek om zich heen, maar in een klein pashokje ben je daar snel mee klaar. Hij stak zijn hoofd door het kiertje van het gordijn. Ah… daar lag hij, op de bank. De man keek om zich heen. Mooi, er was nu even niemand in het gangetje. In zijn onderbroek stapte hij uit het hokje, graaide zijn broek van de bank en schoot weer terug achter het groene gordijn. Toen hij dit achter zich dicht trok en zich omdraaide stond hij oog in oog met een voluptueuze dame, die zo uit een schilderij van Rubens gestapt leek te zijn. Op haar slipje na was ze spiernaakt. Heel veel vlees in zo’n klein pesthokje, maar het oogde niet onaangenaam. Ze slaakte een enorme gil en gaf de indringer een zet, zodat deze met een hinkstapsprong op de grond voor de bank neerplofte. In zijn val nam hij het hele gordijn mee, zodat de vrouw in volle glorie voor iedereen te zien was. Het had iets weg van een peepshow.

‘Viezerik!’ riep ze hem na, terwijl ze in allerijl kledingstukken bij elkaar graaide om haar omvangrijke boezem te bedekken.

Bijna onmiddellijk daarna werd de man aan zijn arm omhoog getrokken, door een vent die geen slecht figuur zou slaan bij een wedstrijd voor de sterkste man ter wereld.

‘Leg mij eens even uit wat dit te betekenen heeft vriend?’ vroeg de kleerkast, uiterst kalm, maar op een toon die niet veel goeds voorspelde.

‘Nou…’, zei de man, maar kwam niet verder.

‘Hè Sjors, laat die man los en hang dat gordijn op!’

‘Effe wachten Chantal, eerst even deze meneer te woord staan. Vertel grappenmaker, sta jij mijn vriendin te begluren?’ dit laatste tegen de onfortuinlijke, die hij inmiddels bij zijn kraag vastgepakt had.

‘Nee, ik heb eh…’

‘Ja, jij hebt, dat is mij volkomen duidelijk. Maar jij hebt helemaal niet te hebben, viespeuk. Jij hebt het lef mijn vriendin af te leggen en daar ben ik niet bepaald gelukkig mee. Doe je dat wel vaker?’

‘Nou, ik eh…’

Terwijl Chantal verwoede pogingen deed haar kleren aan te trekken, zonder daarbij al te veel van haar zelf te laten zien, kwam de echtgenote met een nieuwe voorraad broeken op het rumoer afgestapt.

‘Wat is er aan de hand Herman?’

‘Even niet mee bemoeien troel, dit regel ik’, diende de kleerkast haar van repliek, terwijl hij Herman nog altijd bij zijn kraag vasthield.

‘Ik eis dat u mijn man loslaat en wel ogenblikkelijk.’

‘Tut tut tut’, zei de spierbundel, ‘zij eist. Nou moet jij eens even heel goed naar mij luisteren, omhoog gevallen hockeytrut. Dit individu heeft mijn vriendin aangerand.’

‘Aangerand?! Wie? Herman?!’

‘Niet overdrijven Sjors’, klonk het uit het hokje, terwijl ze met één been in haar legging stond en op en neer hupte om het andere been erin te krijgen. Het leek een circusact.

‘Nou ja’, nam de man gas terug’, bijna dan, ik was net op tijd.’

‘Heb jij deze vrouw aangerand Herman?’

Sjors verstevigde zijn greep. Herman liep rood aan en hapte naar lucht.

‘Dit is de herenafdeling’, zei de echtgenote, ‘de pashokjes voor de dames zijn aan de andere kant.’

‘Ja, dat weet ik ook wel wijsneus, maar daar was niks meer vrij.’

‘Laat mijn man ogenblikkelijk los, dit regel ik verder.’

‘Ik pieker er niet over’, zei de spiermassa, ‘laat hem nog maar even naar lucht happen.’

Op dat moment haalde de echtgenote uit en gaf de vent met haar handtas zo’n enorme dreun tegen zijn stierennek, dat de man sterretjes zag en gestrekt ging.

‘Zo’, zei de echtgenote, ‘wie niet horen wil…’

Herman wreef met zijn hand over zijn keel en kokhalsde naar lucht.

‘Doe je broek aan Herman, wij gaan.’

Kordaat stapte de echtgenote over de kleerkast heen, pakte Herman bij zijn arm en sleurde hem achter zich aan de winkel uit.

De volgende keer ging ze wel alleen en zou ze broeken op zicht meenemen, kon hij thuis passen.

 

© Carl Slotboom / juni 2020

www.carlslotboom.nl