Home » Verhaaltjes » Bloemen

BLOEMEN


BLOEMEN

 

‘Is het voor u zelf of is het een cadeautje?’

‘Een cadeautje’, zei ze.’

‘Mooi’, zei de man, die half verscholen ging achter zijn handel, ‘dan zullen we daar eens even extra aandacht aan besteden.’

Het ‘we’ wekte de suggestie dat hij met zijn vingers zou knippen, waarop van alle kanten als duveltjes uit doosjes allerlei medewerkers zouden springen, die zich dan met ongekende energie op de bos bloemen zouden storten, om er de extra aandacht aan te besteden die de man zo-even beloofd had.

Niets bleek minder waar. ‘We’ was hij gewoon zelf.

Hij legde de bloemen opzij, scheurde een stuk cellofaan van de rol en met een ongekende tederheid begon hij de bos in het dunne folie te rollen. De man hield van zijn bloemen, dat was duidelijk.

Even speelde ze met de gedachte om hem te vertellen voor wie de bloemen bestemd waren, maar aangezien de man zo opging in zijn werkzaamheden deed ze het niet.

‘Lintje erbij?’ vroeg hij.

‘Ja, doet u maar’, antwoordde ze.

‘Het is nou effe rustig’, zei hij, ‘dus kan ik er wel even de tijd voor nemen. Als je over een uur terugkomt is het hier een gekkenhuis, dan trekken ze de bloemen onder m’n handen vandaan.’

Hij knipte allerlei gekleurde lintjes van verschillende rollen. Deed ze bij elkaar en met een nietmachine bevestigde hij de bonte pracht aan het cellofaan. Met de binnenkant van een schaar gleed hij langs de lintjes, die daarop in vrolijke krulletjes veranderden. Daarna bekeek hij het geheel met een wat droevige blik, als was het moeilijk om afscheid te nemen.

Onderweg naar huis dacht ze aan morgen.

‘Ga jij maar’, had Piet gezegd. ‘Jij hebt de beste band met haar.’

Daar had hij gelijk in en bovendien woonde zij ook dichterbij.

Thuisgekomen zette ze de bloemen in een vaas, op een plek van waaruit ze er een goede blik op had. Zo kon ze er tot morgen zelf ook nog van genieten.

Dat deed ze veel te weinig, genieten. Het zat niet in haar genen en tegen je karakter in, in het wilde weg maar overal van gaan genieten, daar zag ze geen heil in. Het was ook niet eenvoudig om te genieten als je altijd maar alleen bent. In een ver verleden had ze kennis gehad aan een aardige man. Ze was tot over haar oren verliefd geweest. Toen het onderwerp trouwen ter sprake kwam, bleek hij deze bezigheid al jaren te beoefenen en bovendien nog vier kinderen te hebben. Dat was eens maar nooit weer dacht ze, daar trap ik niet meer in. De toon was gezet, voor de rest van haar liefdesleven.

Zo heel langzaam keerde ze steeds meer in zichzelf, werd een oude vrijster en was moeder nagenoeg de enige met wie ze contact had.

Goed, moeder was niet de makkelijkste in omgang en zag niet gauw de zon ergens schijnen. Bij moeder was het glas altijd half leeg en met het klimmen der jaren was het er allemaal niet vrolijker op geworden. Toch hield ze van haar en nam haar nukken voor lief.

Uit haar handtas diepte ze de brief op die ze gekregen had van het verzorgingstehuis. De brief met de regels waaraan ze zich morgen te houden had. Ze las het allemaal nog eens grondig door en ging er vanuit dat het zich morgen allemaal vanzelf zou regelen. Ze zou immers opgevangen worden, het kwam wel goed.

Het waren mooie bloemen, moeder zou er blij mee zijn. Toen deed ze het licht uit en ging naar bed.

 

De volgende morgen op de fiets moest ze denken aan de afgelopen weken. Meerdere keren had ze gebeld en meerdere keren had ze gevraagd of er toch niet een uitzondering kon worden gemaakt.

‘Nee, echt niet mevrouw, wij dienen ons aan de regels van het R.I.V.M. te houden.’

‘Maar de kans bestaat dat moeder mij na zo’n lange tijd niet meer herkent. Je hoort dat wel vaker bij mensen die lijden aan Alzheimer.’

‘Maakt u zich daarover maar geen zorgen, mevrouw Bakker. Ze heeft het voortdurend over u en de laatste keer dat u hier was, wist ze precies wie ze voor zich had.’

Nu was het dan eindelijk zover. Na weken haar moeder niet gezien en gesproken te hebben - bellen was onmogelijk geweest vanwege moeders slechthorendheid - mocht ze eindelijk, zij het dan onder strenge voorwaarden, een uurtje bij haar op visite.

Bij de hoofdingang werd ze opgevangen door een mevrouw, die haar zei dat ze haar handen moest desinfecteren en die haar een mondkapje gaf. Ook werden er allerlei vragen gesteld om er zeker van te zijn dat ze niet ziek was.

 

Moeder zat bij het raam, keek heel even in haar richting toen ze binnenkwam en staarde vervolgens weer naar buiten.

‘Ik heb bloemen voor u meegebracht moeder. Kijk eens wat een mooie bos.’

De vrouw nam de bloemen nauwelijks waar.

‘De verkoper heeft ze extra mooi voor u ingepakt. Ik zal ze even in een vaas zetten.’

‘Wat moet ik met dat onkruid?’

‘Dit is geen onkruid moeder.’

Ze zocht in verschillende kastjes naar een geschikte vaas en begreep waarom Piet haar voorrang had gegeven.

‘Zal ik thee voor ons zetten?’

‘Ik hoef geen thee.’

Ze besloot thuis maar thee te drinken. De bloemen stonden in de vaas en ze zette deze op het tafeltje, vlakbij moeder.

‘Kijk moeder, mooi hè?’

De vrouw staarde alweer naar buiten en even beklom de dochter de angst, dat de bezoekloze periode haar moeder geen goed had gedaan.

‘Vindt u het fijn dat ik er ben?’

Er viel een stilte, te lang voor haar gevoel.

‘U weet toch wel wie ik ben hè?’

Even liet ze haar mondkapje zakken, zodat haar gezicht zichtbaar werd.

‘Ja’, antwoordde moeder bits, ‘natuurlijk weet ik dat, ik ben niet dement.’

‘Nee, dat beweer ik ook niet maar ik dacht…’

‘Ik wil alleen gelaten worden.’

Het kwam als een donderslag bij heldere hemel.

‘Wat bedoelt u moeder?’

‘Precies zoals ik het zeg.’

‘Bedoelt u dat u liever heeft dat ik ga?’

‘Ja.’

‘Maar u heeft wekenlang geen bezoek gehad en nu mag het weer en nu zou…’

Daarop stond moeder op, liep naar de deur en opende deze.

‘Tot ziens.’

‘Maar moeder…’

‘Tot ziens’, zei ze wederom en maakte een gebaar met haar hand dat niets te wensen overliet en nam vervolgens weer plaats in haar stoel om weer onverstoord naar buiten te staren.

Ze wilde de zaak niet op de spits drijven en besloot te gaan.

‘En mocht u mijn dochter spreken, zeg haar dat het tijd wordt dat ze een oud eenzaam mens eens bezoekt.’

‘Maar moeder…’

‘Ja, ga nu maar.’

Bij de deur draaide ze zich om en zei: ‘Dag moeder.’

Zonder om te kijken klonk vanuit de stoel: ‘Dag mevrouw.’

 

© Carl Slotboom / juni 2020

www.carlslotboom.nl