Home » Roman » Lezen

'LEVEN BEGINT ELKE DAG OPNIEUW'.

 

Een verpleegkundige had de gordijnen open geschoven. Ze had een vriendelijk gezicht en had gevraagd of hij goed had geslapen. Om haar een plezier te doen had hij ja gezegd.

In het bed tegenover hem ligt een oude man, op zijn rug en met zijn ogen dicht. Misschien is hij wel dood, denkt Bob. Vannacht geruisloos gestorven, zonder dat iemand er getuige van is geweest. Hij vraagt zich af hoe het zou zijn te sterven, zonder dat iemand er bij aanwezig is. Zou hij er iemand bij willen hebben, behoefte hebben aan gezelschap als hij zijn laatste adem uit zou blazen? Opeens beseft hij dat hij door de dood wordt omringd. Hier, in een ziekenhuis, liggen doodzieke mensen, denkt hij. Mensen die bezig zijn te sterven, nu, op dit moment, terwijl buiten de zon schijnt. De dood is zo wreed nog niet.

Een verpleegkundige komt binnen. Ze schijnt hem met een lampje in zijn ogen en hij moet met zijn pupillen het topje van haar wijsvinger volgen. Dan meet ze de bloeddruk.

'Uw vrouw heeft gebeld.'

'Het is niet mijn vrouw.'

'Ze zei van wel.'

'Goed, dan laten we het zo. Wanneer heeft ze gebeld?'

'Gisteravond. U sliep en ze wilde niet dat we u wakker zouden maken.'

'Ik bel haar straks wel even.'

De man tegenover hem doet zijn ogen open, komt half overeind en steekt, zonder een woord te zeggen, zijn hand tegen hem op. Dan gaat hij weer liggen en doet zijn ogen dicht.

Bob voelt zich moe, misselijk en zijn mond is droog. De eerste dagen mag hij nauwelijks drinken en het gevoel van dorst zal hij nog wel even houden heeft de dokter gezegd.

Hij beseft dat hij geen idee heeft wat er allemaal gaat gebeuren vandaag, maar bedenkt tegelijkertijd dat het hem ook eigenlijk niet zo veel interesseert. Hij zal straks, wanneer er weer een verpleegkundige komt, wel eens informeren. Misschien ook niet. Misschien helemaal niets vragen en gewoon maar kijken wat er op hem af komt, zich laten verrassen.

Hij denkt aan Eva. Waarom zei hij nou dat ze zijn vrouw niet is? Het klopt, dat wel, ze zijn niet getrouwd, maar is ze daarom niet zijn vrouw? Moet je speciaal getrouwd zijn om het predicaat man en vrouw te mogen dragen? En wat had het nou voor zin gehad om dat aan de verpleegkundige te vertellen?

In het laatje ligt zijn mobiele telefoon. Er zijn drie gemiste oproepen en zes sms'jes.

Toch Eva maar even bellen.

 

Als Becky in de trein zit komt ze enigszins tot rust. Ze kan zich niet herinneren ooit zo hard gerend te hebben en ooit zo bang te zijn geweest. Wat een klootzak, denkt ze, wat een ongelofelijke hufter! Dat doe je toch niet? Je steekt toch iemand niet zomaar overhoop? Natuurlijk probeer je weg te komen, dat is logisch, maar toch niet ten koste van anderen? Ze vindt dat je dan zo flink moet zijn om in te zien dat je het spelletje verloren hebt. Jammer dan, dan maar de bak in, maar dit … nee, sorry hoor.

De trein maakt vaart. Gebouwen, huizen, straten, volkstuintjes, nog meer gebouwen, nog meer volkstuintjes, alles schiet aan haar venster voorbij. Becky staart naar buiten zonder werkelijk iets te zien. Ze vraagt zich af waar Cody en Erwin gebleven zijn. Als Cody haar niet had meegetrokken had ze waarschijnlijk nu ergens op een politiebureau gezeten. Ze had overal stemmen gehoord, van alle kanten kwamen kerels aanrennen en God mag weten waar ze allemaal zo snel vandaan waren gekomen. Tien meter voor haar uit rende Cody, Erwin was nergens te zien, die was waarschijnlijk in een andere richting gevlucht. Op een gegeven moment was ze Cody kwijtgeraakt, opeens was hij er niet meer. Becky had geen idee waar ze naartoe moest, bleef maar rennen. Voor haar gevoel had het uren geduurd voordat ze bij de uitgang kwam. Godzijdank, geen politie, geen bewaking.

Jezusnogantoe, denkt Becky, zo maar iemand een schroevendraaier in zijn buik rammen, dat is toch wel het laatste! Bij m'n vader was dat destijds heel wat anders, die zat met z'n vieze poten aan m'n lichaam en die had ik echt neergestoken als hij dat nog één keer had gedaan. Maar deze man deed helemaal niets, die deed gewoon z'n werk.

Verdomme, als Cody of Erwin maar niet waren gepakt, dan kon je er op wachten dat vandaag of morgen de politie ook bij haar voor de deur zou staan.

 

Om zeven minuten over negen rijdt de trein vanuit Eindhoven het Centraal Station van Utrecht binnen. Enkele ogenblikken later rinkelt, ruim veertig kilometer verderop, in de handtas van Eva haar mobiele telefoon.

'Met Eva.'

Op hetzelfde ogenblik stapt Becky uit de trein.

Het is een zonnige dag.